Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0345

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
24-001001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het als beginnende bestuurder rijden onder invloed van alcoholhoudende drank en verlaten van de plaats van twee ongevallen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Bij de strafoplegging heeft het hof vooral rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001001-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-653411-09

Arrest van 4 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.H. Zuidema, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 900,=, subsidiair 18 dagen hechtenis, eventueel te voldoen in termijnen, en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde voorts een ontzegging van de rijbevoegdheid zal opleggen voor de duur van 6 maanden, met aftrek.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

onder 1:

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2009 tot en met 16 augustus 2009, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 515 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2009 tot en met 16 augustus 2009, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een of meer verkeersongeval(len) of door wiens gedraging(en) een of meer verkeersongeval(en) was/waren veroorzaakt op of aan het [straat] en/of op of aan [straat] te [plaats], de plaats van die/het ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij die/dat ongeval(len) naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten de gemeente [gemeente]) of anderen schade was toegebracht;

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

onder 1:

hij in de periode van 15 augustus 2009 tot en met 16 augustus 2009, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 515 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

onder 2:

hij in de periode van 15 augustus 2009 tot en met 16 augustus 2009, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij verkeersongevallen op het [straat] en op het [straat] te [plaats], de plaats van die ongevallen heeft verlaten, terwijl bij die ongevallen naar hij wist aan een ander (te weten de gemeente [gemeente]) schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

onder 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 15 augustus 2009 tot en met 16 augustus 2009 als beginnend bestuurder te [plaats] een personenauto bestuurd, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank. Doordat hij toen niet voortdurend zijn voertuig onder controle had, heeft hij twee verkeersongevallen veroorzaakt. Hij is met de voorzijde van zijn voertuig tegen een op het trottoir van het [straat] staand hekwerk gebotst en is daarna doorgereden. Vervolgens is hij op het [straat] rechtuit tegen een boom gebotst, waarna hij wederom is doorgereden. Als gevolg van deze ongevallen is telkens schade toegebracht aan de gemeente [gemeente]. Verdachte heeft telkens de plaats van het ongeval verlaten, terwijl hij wist dat bij die ongevallen schade was toegebracht. Verdachtes ademalcoholgehalte bleek bij onderzoek 515µg/l te zijn.

Door het plegen van deze feiten heeft verdachte niet alleen de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht, maar ook meermalen schade aan de gemeente [gemeente] toegebracht.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2011 blijkt, dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Wel blijkt daaruit dat hij in 2009 en 2010 ter zake van het plegen van openbare dronkenschap een transactie heeft betaald.

Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting "artikel 8/162/163 WVW1994

rijden onder invloed motorrijtuigen beginnend bestuurder", dient aan verdachte in beginsel een onvoorwaardelijke geldboete, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid te worden opgelegd.

Hier staat echter het volgende tegenover.

Verdachte heeft ter zitting bij het hof de indruk gewekt dat hij oprecht spijt heeft en dat hij zwaar onder het gebeurde gebukt gaat. Naar zijn zeggen heeft hij de door hem veroorzaakte schade van ongeveer € 3.500,= reeds vergoed. Voorts heeft verdachte ter zitting van het hof het volgende verklaard. In 2009 besloten zijn ouders te gaan scheiden. Verdachte kon die situatie niet aan. Hij kon er niet over praten, kropte zijn gevoelens op en zocht zijn heil in de drank. Als gevolg daarvan is hij in 2009 tot drie keer toe met justitie in aanraking gekomen, waarbij telkens drank in het spel was. Hij is inmiddels tot het inzicht gekomen dat hij veel meer over zijn gevoelens moet praten, dat de drank geen oplossing biedt en dat hij de drank moet laten staan. Inmiddels praat hij veel met zijn ouders en kan hij in die gesprekken zijn gevoel kwijt. Daardoor heeft hij geen behoefte meer aan het nuttigen van alcoholhoudende drank.

Verdachte heeft de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA) gevolgd en heeft daarvan geleerd.

Verdachte heeft werk als milieu technisch veldwerker en kan in verband daarmee zijn rijbewijs niet missen. Hij moet met zijn daarvoor ingerichte bus dagelijks op de weg om diverse milieutechnische werkzaamheden door heel Nederland uit te voeren. Zijn baas heeft hem laten weten dat het dienstverband wellicht beëindigd zal worden als verdachte niet meer zou mogen rijden.

Volgens het hiervoor genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie is verdachte na het plegen van de hiervoor besproken feiten niet wederom met justitie in aanraking gekomen.

Het lijkt er op dat verdachte een omslagpunt in zijn leven heeft bereikt en een nieuwe - positieve - weg is ingeslagen.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, is het hof van oordeel, dat het belang, dat verdachte heeft bij behoud van zijn rijbewijs deze keer nog zwaarder dient te wegen, dan het belang van strikte toepassing van voormelde oriëntatiepunten. Daarom zal het hof aan verdachte, naast het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, die qua duur hoger is dan de door de advocaat-generaal gevorderde ontzegging, maar die - anders dan de advocaat-generaal - in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd. Hierdoor blijft verdachte in staat om zijn werk als veldwerker te blijven verrichten. Vorenstaande brengt echter wel mee, dat het hof de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete zal verhogen tot € 1.000,=. Gelet op verdachtes financiële draagkracht ziet het hof aanleiding, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd, te bepalen dat verdachte de geldboete in termijnen mag voldoen.

Het hof volgt niet de vordering van de advocaat-generaal, omdat die vordering - in z'n totaliteit bezien - onvoldoende recht doet aan de - positieve - persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hiervoor vermeld.

Het hof beoogt met de voorwaardelijke strafoplegging mede te bereiken dat verdachte niet wederom (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van duizend euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in tien opeenvolgende éénmaandelijkse termijnen elk groot honderd euro;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Foppen, voorzitter, mr. Meijer-Campfens en

mr. Wiarda, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.