Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0226

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
24-002524-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Verweer dat verdachte uit noodweer handelde mist feitelijke grondslag. Het beroep op noodweer(exces) faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002524-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-630646-09 en 18-670051-08 (TUL)

Arrest van 31 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 18 oktober 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft op een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafoplegging en de benadeelde partij [benadeelde] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de beslissing ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 18/670051-08, alsmede de bij deze beslissingen gegeven motiveringen, met uitzondering van de in het vonnis opgenomen overwegingen ten aanzien van het opzet en de strafbaarheid. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.

Verbetering van de bewijsoverweging ten aanzien van het opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte het opzet had op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [benadeelde]. Uit de medische informatie met betrekking tot het letsel van [benadeelde] blijkt dat slechts sprake was van enkele kleine verwondingen. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het hem onder primair ten laste gelegde.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg - in casu de dood of zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijke opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Vast staat dat verdachte aangever [benadeelde] met een mes in het hoofd en in de schouder heeft gestoken en hem, terwijl [benadeelde] op de grond lag, heeft geschopt en geslagen. Deze gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [benadeelde] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Contra-indicaties hiervoor heeft het hof niet aangetroffen. Gelet op vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet had op de dood van [benadeelde].

Strafbaarheid

De raadsman heeft aangevoerd dat bij verdachte sprake was van noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte werd geslagen en voelde opeens een mes. Dit mes heeft verdachte van aangever [benadeelde] afgepakt en de verwondingen in de hand van verdachte passen daarbij, aldus de raadsman.

In de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen, welke door het hof worden overgenomen, ligt reeds besloten dat verdachte zonder enige aanleiding aangever [benadeelde] heeft aangevallen en dat het verdachte was die het mes uit zijn vest pakte en hiermee op aangever begon in te slaan. Dit brengt mee dat het verweer dat verdachte uit noodweer handelde feitelijke grondslag mist en er geen sprake was of is geweest van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In het verlengde hiervan kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen. Het beroep op noodweer(exces) faalt derhalve.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

Bevestigt, met verbetering en aanvulling van gronden, het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier, zijnde de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.