Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0214

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
200.038.759/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ruil van grond tussen een gemeente en een particulier. Aanbod en aanvaarding. Besluit gemeenteraad doorslaggevend, niet de latere aanpassing van dat besluit door b en w.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 8 februari 2011

Zaaknummer 200.038.759/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te Nes, gemeente Ameland,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.W. Franken, kantoorhoudende te Franeker,

tegen

Gemeente Ameland,

gevestigd te Ballum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. R.H. Hulshof, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 1 juni 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] en de Gemeente hebben ieder een akte en een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In het arrest van 1 juni 2010 is het hof tot de voorlopige conclusie gekomen dat de strook grond aan de oostzijde van perceel sectie A, nr. 3378, met een breedte aan de straatzijde van 3 meter en naar de achterzijde van de kavel breder uitlopend, niet is uitgezonderd van de tussen de Gemeente en [appellant] overeengekomen ruil van gronden.

2. Om een verrassingsbeslissing te voorkomen heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld bij akte hun stellingen nader aan te vullen en zonodig een nader gespecificeerd bewijsaanbod te doen.

3. De Gemeente heeft betoogd dat [appellant] in zijn brief van 25 mei 1999 er mee akkoord is gegaan dat de Gemeente zich de eigendom van de onderhavige strook heeft voorbehouden (punten 21 tot en met 25 en 32 van de akte van 10 augustus 2010). Volgens de Gemeente heeft [appellant] namelijk bij brief van 25 mei 1999 uitdrukkelijk gereageerd naar aanleiding van de brief van de Gemeente van 12 mei 2010 waarin expliciet is verwoord dat geen wijzigingen zouden worden aangebracht "in de te verdelen grond", mede gezien de positie van [naam]

4. [appellant] heeft aangevoerd dat hij op 20 april 1999 de gemeente te kennen heeft gegeven niet akkoord te gaan met de uitzondering van een strook van 3 meter aan de oostzijde van de [adres 1]. De gemeenteraad heeft op 26 april 1999 een besluit genomen waarin de in een eerder voorstel genoemde uitzondering van de strook aan de oostzijde niet meer voorkomt. Met dat besluit, dat aansluit op zijn weigering van 20 april 1999 mee te werken aan het uitzonderen van de strook grond, heeft hij bij brief van 25 mei 2010 ingestemd, aldus [appellant]. Naar de opvatting van [appellant] kan het besluit van de gemeenteraad niet ter zijde worden gesteld door de brief van Burgemeester en Wethouders van 12 mei 1999.

5. Het hof stelt vast dat de bevoegdheid te beslissen over aankoop, verkoop en ruiling van onroerende zaken op grond artikel 171 van de Gemeentewet, zoals die bepaling destijds luidde, was voorbehouden aan de gemeenteraad. Het besluit van de gemeenteraad van 26 april 1999 heeft dan ook te gelden als het aanbod tot ruiling van de percelen [adres 1] en [adres 2] onder de in dat besluit vermelde voorwaarden. Burgemeester en wethouders kunnen dat besluit niet zelfstandig aanpassen; daar is opnieuw besluitvorming door de gemeenteraad voor nodig. Door aanvaarding van het aanbod van de Gemeente, zoals neergelegd in het besluit van de gemeenteraad van 26 april 1999, door [appellant] bij brief van 25 mei 1999 is dan ook een overeenkomst tot ruiling ontstaan, waarbij perceel 3378 in het geheel aan [appellant] zal worden overgedragen.

De notariële akte van 3 november 1999 is in overeenstemming met die overeenkomst.

6. Verder is het hof van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen de Gemeente heeft gesteld, er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] als bedoeld in artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek, omdat is gehandeld in overeenstemming met het besluit van de gemeenteraad; daardoor is er geen ongerechtvaardigdheid.

7. Daarenboven moet het er voor worden gehouden dat [appellant] ingevolge de notariële akte van 3 november 1999 geen groter aantal vierkante meters heeft gekregen dan het aantal vierkante meters dat de Gemeente en [appellant] voor ogen stond, namelijk 965 m²; te weten de oppervlakte van het perceel 3378 van 625 m², het verschil in oppervlakte tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] ter grootte van 165 m² en 175 m² ter compensatie van grond die [appellant] bij akte van 19 december 1985 was toebedeeld (zie brief Gemeente 12 april 1999).

Zou de in het geding zijnde strook aan de oostzijde van het perceel 3378 van de ruil worden uitgezonderd, zoals de Gemeente heeft bepleit, dan zou [appellant] circa 112 m² minder toebedeeld krijgen, derhalve per saldo slechts 853 m². De Gemeente heeft haar stelling dat zij de oppervlakte van de strook van 112 m² in 1999 anderszins heeft gecompenseerd onvoldoende onderbouwd.

Daaraan doet niet af dat [appellant] bij uitmeting in het veld mogelijk wel 112 m² extra achter de woning [adres 1] is toebedeeld, zoals de Gemeente met de als productie 8a tot en met 8d bij de antwoordakte van 19 oktober 2010 gevoegde tekeningen lijkt te willen stellen. [appellant] heeft die stelling betwist. Zo [appellant] al 112 m² grond aan de achterzijde van de woning feitelijk in gebruik zou hebben gekregen, dan geldt dit niet als compensatie. Er ontbreekt immers een rechtsgeldige titel, zodat [appellant] de eigendom van die grond niet heeft verworven. Verder valt door het ontbreken van maten uit de genoemde tekeningen zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, de oppervlakte van de verschillende (delen van) percelen niet te herleiden.

8. Het hof komt dan ook al met al tot het oordeel dat de strook grond aan de oostzijde van het perceel 3378 niet van de ruil was uitgezonderd, zodat er geen grond bestaat voor rectificatie van de notariële akte van 3 november 1999 in de door de Gemeente voorgestane zin.

9. Gelet op dit oordeel moet voorts met betrekking tot rechtsoverweging 27 in het arrest van 1 juni 2010 worden geoordeeld dat bij [appellant] niet voortdurend de bereidheid heeft bestaan een strook van 2 meter aan de oostzijde van het perceel 3378 af te staan. In het bijzonder bestond die bereidheid niet meer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Ook uit dien hoofde bestaat er geen aanleiding de notariële akte van 3 november 1999 te rectificeren.

Bewijsaanbod

10. Aan het door de Gemeente gedane bewijsaanbod gaat het hof als niet ter zake dienend voorbij. De stellingen waarvan de Gemeente bewijs aanbiedt kunnen immers niet afdoen aan de op zichzelf heldere inhoud van het besluit van de gemeenteraad van 26 april 1999. Het bewijs van een daarvan afwijkende, bij Burgemeester en Wethouders bestaande opvatting omtrent de bedoeling van de Gemeente doet daaraan niet af. Vier van de vijf genoemde personen die volgens de Gemeente zouden kunnen getuigen zijn bovendien in het geheel niet bij de besluitvorming in de gemeenteraad betrokken geweest en de vijfde persoon, J.M.J. Metz, betwist blijkens haar verklaring van 10 december 2007 niet dat in het raadsbesluit zelf de strook niet is uitgezonderd van de ruil.

Slotsom

11. Het bestreden vonnis van de rechtbank van 3 juni 2009 dient te worden vernietigd voor wat betreft de onderdelen 3.1. tot en met 3.6. en de vorderingen van de Gemeente, strekkende tot rectificatie van de notariële akte van 3 november 1999, zullen worden afgewezen. Het hof zal de vordering van [appellant] om te bepalen dat het te wijzen arrest dezelfde kracht zal hebben als een "in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling is gehouden" op de voet van artikel 3:300 Burgerlijk Wetboek toewijzen, ten einde -eventueel- een op basis van het vonnis van de rechtbank door de Gemeente in de openbare registers van het Kadaster aangebrachte wijziging te vernietigen en herstel in de oude toestand te bewerkstelligen.

12. De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep.

De kosten van de procedure in eerste aanleg worden begroot op € 251,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.356,- (3 punten tarief II, € 452,- per punt, factor 1) aan geliquideerd salaris voor de advocaat. De kosten van de procedure in hoger beroep worden begroot op € 398,98 (€ 85,98 dagvaardingskosten en € 313,- griffierecht) aan verschotten en € 1.788,- (2 punten, tarief II, € 894,- per punt, factor 1) aan geliquideerd salaris voor de advocaat. Het hof zal tevens de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 3 juni 2009 voor wat betreft de onderdelen 3.1. tot en met 3.6.,

en opnieuw recht doende:

wijst af de vorderingen van de Gemeente;

bepaalt dat dit arrest dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling is gehouden;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in beide instanties, te weten:

- de kosten van de procedure in eerste aanleg tot heden begroot op € 251,- aan verschotten en € 1.356,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

- de kosten van de procedure in hoger beroep tot heden begroot op € 398,98 aan verschotten en € 1.788,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

- een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest;

- alsmede te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 131,- zonder betekening en vervolgens nogmaals te vermeerderen met € 68,- ingeval van betekening nadat veertien dagen zijn verstreken nadat [appellant] de Gemeente heeft aangeschreven vrijwillig aan de proceskostenveroordeling te voldoen.

verklaart het arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, G. van Rijssen en B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 8 februari 2011 in bijzijn van de griffier.