Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP9817

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
24-000954-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van wederspannigheid, tengevolge waarvan een opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel bekwam, en belediging van een opsporingsambtenaar veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 50 uren. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig was dat hem die feiten niet kunnen worden toegerekend. Het hof houdt er bij de straftoemeting rekening mee dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000954-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-606229-07

Arrest van 29 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 2 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, een maatregel opgelegd en op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 18 september 2009 en 15 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot € 40,-.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 08 september 2007 te [plaats] toen de aldaar dienstdoende [benadeelde], opsporingsambtenaar van Regiopolitie Drenthe, (samen met (een) andere opsporingsambtena(a)r(en)) verdachte op verdenking van het overtreden van (de) artikel(en) 267 en/of 266 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten (een verhoorkamer in) het politiebureau aan/nabij de [straat] te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, door opzettelijk gewelddadig met die [benadeelde] en/of die andere opsporingsambtena(a)r(en) in gevecht/worsteling te gaan, tengevolge waarvan die opsporingsambtenaar [benadeelde] enig lichamelijk letsel bekwam;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 08 september 2007 te [plaats], opzettelijk mishandelend met een ambtenaar, te weten [benadeelde], opsporingsambtenaar van Regiopolitie Drenthe, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in gevecht/worsteling is gegaan, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 08 september 2007 te [plaats] opzettelijk beledigend (meermalen) tegen een ambtenaar, te weten [benadeelde], opsporingsambtenaar van Regiopolitie Drenthe, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid heeft gezegd: "Kankerlijer, teringlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1. primair

hij op 08 september 2007 te [plaats] toen de aldaar dienstdoende [benadeelde], opsporingsambtenaar van Politie Drenthe, (samen met andere opsporingsambtenaren) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door opzettelijk gewelddadig met die [benadeelde] en die andere opsporingsambtenaren in worsteling te gaan, tengevolge waarvan die opsporingsambtenaar [benadeelde] enig lichamelijk letsel bekwam;

2.

hij op 08 september 2007 te [plaats] opzettelijk beledigend meermalen tegen een ambtenaar, te weten [benadeelde], opsporingsambtenaar van Politie Drenthe, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid heeft gezegd: "Kankerlijer, teringlijer".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1 primair:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

onder 2:

belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte op 8 september 2007 mogelijk strafbare feiten heeft gepleegd, maar dat hij daarvoor niet verantwoordelijk mag worden gehouden. Verdachte heeft ten gevolge van de vechtpartij eerder op die avond een (zware) hersenschudding opgelopen, waardoor hij - mogelijk in combinatie met de genuttigde alcohol - zo in de war is geraakt dat hij de onderhavige feiten heeft begaan. De raadsvrouw heeft het hof verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof verstaat dat de raadsvrouw volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte heeft willen bepleiten.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is een persoon niet strafbaar indien hij of zij een feit begaat dat hem of haar wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend.

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting van het hof is aannemelijk geworden dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig was dat hem die feiten niet kunnen worden toegerekend.

Omtrent verdachte is door C.J.F. Kemperman, psychiater, naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten een rapport d.d. 9 december 2010 uitgebracht, welk rapport - zakelijk weergegeven - als conclusie inhoudt dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een alcohol use disorder, namelijk 'binge drinking'. Verdachte was onder invloed van alcohol. Verder was er kort voor de ten laste gelegde gedragingen een hersenschudding opgetreden. Verdachte kan als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aldus Kemperman.

Gelet op de inhoud van voormeld rapport kan het hof zich verenigen met de conclusie van de deskundige Kemperman dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en zal het hof hiermee bij de bepaling van de straf rekening houden.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

Nu niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 8 september 2007 verzet tegen zijn aanhouding, tengevolge waarvan politieagent [benadeelde] enig lichamelijk letsel opliep. Door zijn handelen heeft verdachte bovendien blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de opsporingsambtenaren van de politie en het gezag van de politie ondermijnd.

Daarnaast heeft hij die [benadeelde] beledigd, door hem uit te maken voor "Kankerlijer, teringlijer". Verdachte heeft de betreffende agent hierdoor in zijn eer en goede naam aangetast.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 januari 2011 blijkt, dat verdachte eenmaal eerder ter zake van het plegen van een geweldsdelict onherroepelijk is veroordeeld.

Bij de bepaling van de straf neemt het hof in aanmerking dat de verdachte eerst zelf slachtoffer is geworden van een gewelddadig incident. Verder wil het hof, met de advocaat-generaal, het ervoor houden dat hier sprake is geweest van een incident. Tot slot heeft het hof de indruk dat de verdachte meer inzicht heeft gekregen in de uitwerking die alcohol op hem kan hebben en dat hij zijn leven, daarin gesteund door zijn ouders, meer dan voorheen ook naar dat inzicht inricht.

Gelet op het vorenstaande, alsmede de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke werkstraf van 50 uren een passende sanctie is.

Benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van € 350,-.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat het hof de vordering dient af te wijzen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 40,- toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door het onder 1 bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij tot dat bedrag schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof is van oordeel, dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 180, 181, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijftig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], domicilie kiezende te [plaats], tot een bedrag van veertig euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van veertig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], domicilie kiezende te [plaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier.