Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP9400

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
24-003376-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte wegens een viertal misdrijven (beschadiging, bedreiging, belediging en vernieling), daarbij meewegende drie ad informandum gevoegde feiten, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Ter zake van de overtreding van een bepaling van de APV Stadskanaal 2008 past het hof artikel 9a Sr. toe. Voorts beslist het hof op de vordering van de benadeelde partij en op een vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 24-003376-09, 18-670017-09 (Tul)

Parketnummer eerste aanleg: 18-652385-09

Arrest van 11 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 17 december 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. H. J. Bos, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven en een overtreding veroordeeld tot straffen, heeft een maatregel opgelegd en heeft op de vordering van de benadeelde partij en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte - meewegend de drie ad informandum gevoegde feiten - ter zake van feit 1 tot en met 4 zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Hij heeft ter zake van feit 5 gevorderd dat het hof verdachte geen straf of maatregel zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij volledig zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden zal omzetten naar een werkstraf van 120 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 04 juni 2009, te [plaats], opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Volkswagen Polo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 23 mei 2009, te [plaats], [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend middels een sms bericht de woorden toegevoegd: "wij gaan je echt pakken vuile jood en die boer ook pas maar op als ik je tegen kom dan moet je stoppen wij gaan het uitvechten vuile jood gr [verdachte]", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 mei 2009 tot en met 5 juni 2009, te [plaats], opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde], in het openbaar bij geschrift of afbeelding heeft beledigd, door (met een vilt- of schrijfstift) op een of meer banken, muren en/of bloem- bakken op of aan (een) openbare weg(en) een of meer teksten, te weten: "[benadeelde] is een Jood" en/of "Bel [benadeelde] de Jood" en/of "[benadeelde] is kanker jood A Hitler" (met daarbij een of meer tekens, te weten: hakenkruizen en/of SS-tekens en/of jodensterren), te schrijven;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2008 op 1 januari 2009, in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten van een pand gelegen aan de [straat], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 13 juli 2009 in de gemeente [gemeente], als degene aan wie door of namens de burgemeester van de gemeente [gemeente] in het belang van de openbare orde is bekendgemaakt, namelijk bij Besluit van 17 juni 2009 van (burgemeester) [naam], inhoudende - zakelijk weergegeven - zich niet te bevinden binnen het gebied: de gehele bebouwde kom van [plaats], met ingang van vrijdag 19 juni 2009 12.00 uur tot en met vrijdag 17 juli 2009 12.00 uur - met uitzondering van zaterdagmiddagen tussen 15.00 uur en 17.00 uur (voor bezoek aan zijn (verdachtes) ouders) -, zich op eerstgenoemde datum (zijnde maandag 13 juli 2009) heeft bevonden op of aan de in bovenbedoelde bekendmaking aangewezen weg(en) en/of plaats(en) gedurende de uren daarin genoemd (verblijfsontzegging), namelijk in en/of nabij perceel [adres] te [plaats], in elk geval op of aan een weg of plaats, deel uitmakende van bovengenoemd gebied.

Bewijsoverweging ter zake van feit 5

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit aangevoerd dat verdachte onder een uitzonderingsbepaling van artikel 2.1.1.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente [gemeente] 2008 viel, omdat hij aan het adres [adres] te [plaats] in het GBA register stond ingeschreven en daar tevens zijn feitelijke woonplaats had. Er dient derhalve ontslag van alle rechtsvervolging te volgen, aldus de raadsvrouw.

In tegenstelling tot hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, blijkt uit het dossier dat verdachte niet feitelijk aan het adres [adres] te [plaats] woonde. Er was in het kader van het hulpverleningstraject een verblijfplaats voor verdachte geregeld in [plaats 2]. Derhalve doet de door de raadsvrouw bedoelde uitzonderingssituatie zich niet voor en wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen. Nu er ook voor het overige geen juridische beletselen bestaan, zal het onder 5 ten laste gelegde feit bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigende bewezen dat:

1.

hij op 4 juni 2009, te [plaats], opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Volkswagen Polo), toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft beschadigd;

2.

hij op 23 mei 2009, te [plaats], [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend middels een sms bericht de woorden toegevoegd: "wij gaan je echt pakken vuile jood en die boer ook pas maar op als ik je tegen kom dan moet je stoppen wij gaan het uitvechten vuile jood gr [verdachte]";

3.

hij in de periode van 25 mei 2009 tot en met 5 juni 2009, te [plaats], opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde], in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door met een viltstift op een bank op een openbare weg een tekst, te weten: "[benadeelde] is kanker jood A Hitler", te schrijven;

4.

hij omstreeks de nacht van 31 december 2008 op 1 januari 2009, in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand gelegen aan de [straat], toebehorende aan [bedrijf], heeft vernield;

5.

hij op 13 juli 2009 in de gemeente [gemeente], als degene aan wie door de burgemeester van de gemeente [gemeente] in het belang van de openbare orde is bekendgemaakt, namelijk bij Besluit van 17 juni 2009 van burgemeester [naam], inhoudende - zakelijk weergegeven - zich niet te bevinden binnen het gebied: de gehele bebouwde kom van [plaats], met ingang van vrijdag 19 juni 2009 12.00 uur tot en met vrijdag 17 juli 2009 12.00 uur - met uitzondering van zaterdagmiddagen tussen 15.00 uur en 17.00 uur (voor bezoek aan zijn ouders) -, zich op eerstgenoemde datum (zijnde maandag 13 juli 2009) heeft bevonden op of aan de in bovenbedoelde bekendmaking aangewezen plaats gedurende de uren daarin genoemd, namelijk in en nabij perceel [adres] te [plaats], deel uitmakende van bovengenoemd gebied.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

2. bedreiging met zware mishandeling;

3. eenvoudige belediging;

4. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

en de overtreding:

5. overtreding van artikel 2.1.1.2, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening [plaats] 2008.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 4 juni 2009 schuldig gemaakt aan beschadiging van een auto. Hij is op de motorkap van de auto van [slachtoffer 1] gesprongen en heeft daarbij een deuk in die motorkap veroorzaakt. Enkele weken daarvoor, op 23 mei 2009, had verdachte diezelfde [slachtoffer 1] al middels een SMS bericht bedreigd met zware mishandeling. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer 1], respectievelijk gevoelens van angst bij hem teweeg gebracht.

Daarnaast heeft verdachte in de periode van 25 mei 2009 tot en met 5 juni 2009 [benadeelde] beledigd door met een viltstift op een bankje te schrijven dat hij, [benadeelde], een "kanker Jood" is. Verdachte heeft deze belediging ondertekend met: "A. Hitler". Hiermee heeft hij [benadeelde] in zijn eer en goede naam aangetast.

Voorts heeft verdachte in de nacht van 31 december 2008 op 1 januari 2009 met een steen een ruit ingegooid van een pand aan de [straat] in [plaats]. Hiermee heeft hij niet alleen een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar van het pand, maar tevens overlast veroorzaakt voor de bewoners van het pand.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt een overtreding van een gebiedsverbod, ingesteld door de burgemeester van [plaats] op basis van Algemene Plaatselijke Verordening [plaats] 2008. Verdachte heeft dit verbod overtreden doordat hij zich in de woning van zijn ouders ophield. Dit is een overtreding, maar gelet op de geringe ernst van dit feit zal toepassing worden geven aan het bepaalde in artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Derhalve zal ter zake van feit 5 geen straf (of maatregel) worden opgelegd.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens strafbare feiten is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden de bewezen verklaarde feiten te begaan.

Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof gebleken, dat verdachte zich aan drie andere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Dit betreft (1) het zich niet houden aan een verblijfsontzegging voor de gemeente [gemeente] op 27 juli 2009 (parketnummer 550547-09), (2) het zich niet houden aan een verblijfsontzegging voor de gemeente [gemeente] op 17 juli 2009 (parketnummer 550549-09) en (3) diefstal op 19 november 2009, gepleegd te Stadskanaal (parketnummer 18-653472-09). Deze strafbare feiten zijn ad informandum gevoegd. Feiten 1 en 2 staan vermeld op de inleidende dagvaarding, feit 3 is ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd. Deze ad informandum gevoegde feiten zijn door verdachte erkend als door hem te zijn begaan en worden meegewogen bij de op te leggen straf. Hiermee zijn deze feiten afgedaan.

In beginsel rechtvaardigen voornoemde feiten en omstandigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof slaat echter ook acht op hetgeen ter terechtzitting van het hof naar voren is gebracht door getuige-deskundige

J.H. Wagenveld. Wagenveld is als zelfstandige hulpverlener werkzaam binnen het gezin van verdachte en heeft zich in die hoedanigheid ook over verdachte ontfermd. Wagenveld heeft het initiatief genomen tot een psychodiagnostisch onderzoek van verdachte, waarbij geconstateerd is dat verdachte een IQ heeft van 60. Dit wordt gekwalificeerd als een verstandelijke (intelligentie)beperking. Aan de hand van dit resultaat begeleidt Wagenveld verdachte op een andere manier dan hij voorheen werd behandeld door hulpverleningsinstanties.

Sinds Wagenveld zich met verdachte bemoeit, heeft hij geen strafbare feiten meer gepleegd. Desgevraagd verklaart Wagenveld dat verdachte meer belang heeft bij een werkstraf dan bij een gevangenisstraf. Bij een werkstraf zou verdachte arbeidservaring en werkritme kunnen opdoen. Een voorwaardelijke straf, als stok achter de deur, acht Wagenveld daarbij wenselijk.

Het hof ziet in de verklaring van Wagenveld reden om verdachte ter zake van de misdrijven onder 1, 2, 3 en 4 en de ad informandum gevoegde feiten, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, op te leggen. Daarnaast zal een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, worden opgelegd. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient tevens als stok achter de deur, teneinde verdachte te stimuleren zijn huidige gedrag voort te zetten. Ter zake van de overtreding onder 5 zal, om de hierboven uiteengezette reden, geen straf worden opgelegd.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft door het onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 260,- zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 260,- die door het onder 3 bewezen verklaarde feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Groningen van 7 mei 2009, met parketnummer 18-670017-09, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 22 mei 2009, op welke datum tevens de proeftijd is ingegaan. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 6 oktober 2009 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormeld voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, omdat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd schuldig zou hebben gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Nu gebleken is dat de verdachte de hiervoor bewezen verklaarde feiten, met uitzondering van feit 4, heeft begaan voor het einde van de proeftijd (als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht), zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf gelasten, met dien verstande dat het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze straf te geven, een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis zal gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 36f, 57, 62, 63, 266, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2.1.1.2 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente [gemeente] 2008, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3, 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart het verdachte onder 5 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan [verdachte] ter zake van feit 5 geen straf of maatregel wordt opgelegd;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweehonderdzestig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdzestig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Groningen van 7 mei 2009, met parketnummer 18-670017-09) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. W.P.M. ter Berg en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van S. van Krugten als griffier.