Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP9111

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
107.002.289/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Bank doet beroep op verjaring ex artikel 1:88 en 89 BW. Stelplicht en bewijslast bank na HR 28-01-2011 LJN BO 6106

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 22 maart 2011

Zaaknummer 107.002.289/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

AEGON Financiële Diensten B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] en gezamenlijk te noemen:

[appellanten],

advocaat: mr. M.A. Hupkes, kantoorhoudende te Amsterdam.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 9 juli 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter uitvoering van genoemd tussenarrest heeft op 24 november 2008 een comparitie van partijen plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt; een afschrift bevindt zich bij de stukken.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

1. Aegon heeft drie grieven opgeworpen tegen het vonnis van de kantonrechter.

De verdere beoordeling

De feiten

2. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 12 juni 2007 onder 2 (2.1. tot en met 2.5) een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Tussen partijen staat - voorzover in dit hoger beroep van belang - het volgende vast.

2.1 [appellant 2] en [appellant 1] zijn echtgenoten.

2.2 [appellant 2] heeft zowel op 7 februari 2000 als op 5 februari 2001 een aandelenleaseovereenkomst met Aegon gesloten met de naam "VermogensVliegwielovereenkomst". Beide overeenkomsten hebben een looptijd van 15 jaar. De eerste overeenkomst is aangegaan onder nummer 14004998 en heeft een leasesom van € 8.206,20, te betalen in 180 gelijke maandelijkse termijnen. De tweede overeenkomst is aangegaan onder nummer 14011713 en heeft een leasesom van € 12.339,-- eveneens te betalen in 180 gelijke maandelijkse termijnen.

2.3 De gemachtigde van [appellanten] heeft bij brief van 29 augustus 2005 de nietigheid c.s. de vernietigbaarheid van beide overeenkomsten ingeroepen.

2.4 [appellanten] hebben bij inleidende dagvaarding gesteld dat [appellant 1] geen van beide overeenkomsten heeft ondertekend en daarom een beroep doet op art 1:88 jo 1:89 BW. Aegon heeft evenwel aangetoond dat [appellant 1] de eerste overeenkomst met nummer 14004998 wel heeft ondertekend. Daarop hebben [appellanten] bij conclusie van repliek de vordering tot vernietiging en ontbinding alsmede de vordering tot terugbetaling van de voldane inleg ten aanzien van deze overeenkomst ingetrokken.

2.5 Ten aanzien van de tweede overeenkomst met nummer 14011713 staat vast dat [appellant 1] deze niet heeft ondertekend.

De beslissing in eerste aanleg

3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de VermogensVliegwielovereenkomst is aan te merken als een huurkoopovereenkomst en dat [appellant 2] voor het aangaan daarvan de toestemming van [appellant 1] behoefde.

[appellant 1] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de tweede overeenkomst wegens het ontbreken van haar toestemming en heeft gevorderd voor recht te verklaren dat die overeenkomst dientengevolge is vernietigd.

Aegon heeft zich op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om een beroep te doen op de vernietigbaarheid reeds was verjaard.

De kantonrechter heeft dit verweer verworpen en heeft Aegon veroordeeld een bedrag van € 3.638,16 aan [appellant 2] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bespreking van de grieven

4. Grief I is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering tot vernietiging niet is verjaard.

5. Involge het bepaalde in artikel 3:52 lid 1 sub d BW verjaart de vordering tot vernietiging op grond van artikel 1:89 BW drie jaar nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen aan degene aan wie die bevoegdheid toekomt ten dienste is komen te staan.

Het hof neemt daarom tot uitgangspunt dat de verjaringstermijn in het onderhavige geval is gaan lopen op het tijdstip waarop [appellant 1] daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de tweede leaseovereenkomst (HR 28-01-2011 LJN BO 6106)

6. In de toelichting op haar grief heeft Aegon betoogd dat de bewijslast van haar stelling dat vordering tot vernietiging was verjaard (een rechtsbevrijdende verweer) in beginsel weliswaar op haar rust, maar dat er in het onderhavige geval aanleiding bestaat voor omkering van die bewijslast, althans voor het opleggen van een verzwaarde stelplicht op [appellanten].

Daartoe heeft Aegon aangevoerd dat [appellanten] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist de stelling van Aegon dat de verklaring van [appellant 1] ten aanzien van de eerste overeenkomst onjuist is gebleken en dat Aegon in bewijsnood verkeert omdat het bewijs voor haar in deze zaak moeilijk is te leveren.

7. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat Aegon in bewijsnood verkeert onvoldoende aanleiding is om tot een omkering van de bewijslast te komen. Aegon heeft, door met [appellant 2] een effectenleaseovereenkomst aan te gaan terwijl het voor haar duidelijk was dat [appellant 2 zijn] echtgenote die overeenkomst niet ten blijke van haar instemming had mee ondertekend, immers welbewust het risico genomen dat [appellant 2 zijn] echtgenote naderhand een beroep zou kunnen doen op vernietiging van die overeenkomst.

8. [appellanten] hebben in bij inleidende dagvaarding als producties 4 en 5 verklaringen overgelegd waarin zij de feitelijke gang van zaken hebben toegelicht. [appellant 2] heeft verklaard dat [appellant 1] niet aanwezig was toen hij met een tussenpersoon sprak over het aangaan van de overeenkomst met Aegon. Voorts heeft hij verklaard dat hij ook op eigen houtje een overeenkomst met Dexia is aangegaan. [appellant 2] heeft aangegeven dat hij de inleg vanaf zijn eigen bankrekening voldeed en dat hij zijn vrouw buiten de geldzaken hield. Hij heeft voorts verklaard dat hij haar pas in het voorjaar van 2005 op de hoogte heeft gesteld van het bestaan van de overeenkomsten. [appellant 1] heeft bevestigd dat ieder van partijen een eigen bankrekening heeft en dat zij geen kennis neemt van de financiële post van haar man. [appellant 1] heeft voorts verklaard dat [appellant 2] haar pas in het voorjaar van 2005 vertelde over het bestaan van de overeenkomsten. [appellant 2] had iets in de krant gelezen over Dexia/Aegon en begon toen te vertellen dat hij ook van die contracten had, aldus [appellant 1].

Nadat Aegon bij conclusie van antwoord een ondertekend exemplaar van de eerste overeenkomst had overgelegd, heeft [appellant 1] nader verklaard dat zij erkent dat de handtekening van haar is en dat zij zich er niet van bewust moet zijn geweest wat zij tekende. Zij houdt het erop dat haar man het haar terloops heeft gevraagd en dat zij heeft getekend omdat zij hem blind vertrouwde en het vervolgens is vergeten omdat er verder niet meer over is gepraat.

9. Het hof is van oordeel dat [appellanten] de stelling van Aegon dat [appellant 1] al meer dan drie jaar voor zij een beroep op vernietiging van de overeenkomst deed met het bestaan van die overeenkomst bekend was, aldus voldoende gemotiveerd hebben weersproken en dat zij daarmee hun verweer voldoende hebben onderbouwd.

10. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de omstandigheid dat [appellant 1] aanvankelijk ten onrechte heeft verklaard dat zij ook de eerste overeenkomst niet had ondertekend, niet noodzakelijkerwijs voortvloeit dat zij al veel eerder dan in het voorjaar van 2005 met het bestaan van de tweede overeenkomst - waarvan vaststaat dat zij deze niet heeft ondertekend - op de hoogte is geweest.

11. Het hof ziet in hetgeen Aegon heeft aangevoerd geen grond om de bewijslast om te keren en evenmin om voorshands, behoudens tegenbewijs, aan te nemen dat [appellant 1] op het moment dat zij een beroep deed op de vernietigbaarheid van de overeenkomst (29 augustus 2005) al meer dan drie jaar met het bestaan daarvan bekend was.

12. De bewijslast van de stelling dat de vordering tot vernietiging van de rechtshandeling was verjaard - en dat [appellant 1] derhalve meer dan drie jaar voor 29 augustus 2005 bekend was met het bestaan van de tweede leaseovereenkomst - blijft dan ook op Aegon rusten.

De kantonrechter heeft het bewijsaanbod van Aegon afgewezen omdat hij van oordeel was dat Aegon haar stelling dat de verjaring eerder was aangevangen onvoldoende concreet had onderbouwd.

Het hof is evenwel van oordeel dat er in een geval als het onderhavige niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de feitelijke onderbouwing van de stelling van Aegon, nu de voor de beslissing van de zaak relevante omstandigheden van subjectieve aard zijn en zich geheel in de sfeer van [appellanten] hebben afgespeeld. In zoverre slaagt de grief.

Het hof zal Aegon daarom alsnog toelaten tot het bewijs van haar stelling.

Nu Aegon heeft aangegeven bewijs te willen leveren door het horen van getuigen, zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor het opgeven van verhinderdata ten behoeve van een dagbepaling voor enquête.

13. Aegon heeft bij memorie van grieven in dit kader nog een tweetal aanvullende verweren gevoerd.

In de eerste plaats heeft Aegon betoogd dat overtreding van een vormvoorschrift alleen leidt tot vernietigbaarheid als het belang dat het voorschrift wil beschermen daarmee gediend is. Aegon heeft vervolgens aangevoerd dat uit niets blijkt dat het gezinsvermogen van [appellanten] te lijden heeft gehad onder de aanschaf van de Vermogens Vliegwielovereenkomst. Om die reden mag het ontbreken van de schriftelijke toestemming van [appellant 1] niet leiden tot vernietiging van de overeenkomst zo stelt Aegon.

In de tweede plaats heeft Aegon zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] misbruik maken van hun bevoegdheid aangezien zij art. 1:88 BW enkel gebruiken om een beleggingsverlies ongedaan te maken.

14. Het hof verwerpt deze verweren. De wetgever beschouwt de koop op afbetaling als een zodanig risicovolle handeling dat daarvoor toestemming van de andere echtgenoot is vereist. De wetgever heeft daaraan niet de voorwaarde verbonden dat moet komen vast te staan dat 'het gezinsvermogen daaronder te lijden heeft' zoals Aegon betoogt.

De omstandigheid dat [appellant 1] de vernietigbaarheid heeft ingeroepen van de overeenkomst terwijl er sprake is van beleggingsverliezen en de vernietigbaarheid mogelijk niet zou hebben ingeroepen wanneer de overeenkomst gunstig zou hebben uitgepakt, betekent niet dat zij aldus misbruik maakt van haar bevoegdheid. De artt. 1:88 en 1:89 BW beogen de echtgenoot immers juist bescherming te bieden tegen rechtshandelingen die niet zonder zijn/haar toestemming hadden mogen worden verricht. Dat [appellant 1] gebruik maakt van de bevoegdheid die de wet haar biedt, kan haar dan ook niet worden verweten, laat staan dat dit kan worden gekwalificeerd als misbruik van die bevoegdheid.

15. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

draagt Aegon op te bewijzen dat [appellant 1] meer dan drie jaar voor 29 augustus 2005 op de hoogte was van het bestaan van de tweede leaseovereenkomst;

bepaalt voor zover Aegon het bewijs zou willen leveren door middel van getuigen dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. M.M.A. Wind, hiertoe tot raadsheer commissaris benoemd;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 april 2011 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n), voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat de advocaat van Aegon uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [appellanten] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. R.C. Verschuur, voorzitter, J.H. Kuiper en

M.M.A. Wind, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 22 maart 2011 in bijzijn van de griffier.