Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP9076

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
24-002903-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van - kort gezegd - twee inbraken bij respectievelijk een woning en een bedrijfspand, alsmede twee diefstallen uit verschillende woningen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Er is bij verdachte sprake van ernstige verslavingsproblematiek en hiermee samenhangend delictgedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002903-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-670316-10

Arrest van 24 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 2 december 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F. Gosselaar, advocaat te Winschoten.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft beslist op de vorderingen van benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 januari 2011 en 10 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 4 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1, 2, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze in zijn geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen, nu ter terechtzitting van het hof van 10 maart 2011 de tenlastelegging is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - met inachtneming van de wijziging van de tenlastelegging die in hoger beroep is toegelaten en voor zover voor hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 05 augustus 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning en/of besloten erf waarop een woning staat gelegen aan [adres 1], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (buitenlands) geld en/of muntstukken, en/of een (rode dames)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (aangifte [nummer]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 05 augustus 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een perceel aan [adres 2] heeft weggenomen een of meer buggies/kinderwagens, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf Prenatal (aangifte [nummer]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 15 juni 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres 3], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop, een voice-recorder, een rugtasje (met inhoud), een of meer mobiele telefoon(s) (te weten Nokia E71 en/of Sony Ericsson W910i), een of meer horloges, en/of een of meer I-pods, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (aangifte [nummer]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (middels flipperen/hengelen);

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 15 juni 2010 tot en met 5 augustus 2010, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, mobiele telefoons (een Nokia E71 en/of een Sony Ericsson W910i) en/of een voice-recorder Olympus Vn-5500pc heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist(en) of redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

hij op of omstreeks 30 december 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres 3], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een schoudertas, een handtas (met inhoud), een of meer mobiele telefoon(s) (o.a. een Nokia 6021), een Nintendo-spelcomputer (met een of meer spellen), een geldbedrag, en/of een pak shag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (aangifte [nummer]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, en/of een valse sleutel (middels flipperen/hengelen);

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2009 tot en met 18 januari 2010, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een mobiele telefoon (Nokia 6021), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verkrijgen van die telefoon wist(en) of redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof beschouwt de onder 1 op genomen zinsnede "besloten erf gelegen aan [adres 1]" als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als "besloten erf waarop een woning staat gelegen aan [adres 1]". Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Feit 1

In de nacht van 4 op 5 augustus 2010 wordt uit een woning gelegen aan het [adres 1] in [plaats] buitenlands geld gestolen. Van een bij deze woning gelegen besloten erf wordt eveneens een niet afgesloten rode damesfiets meegenomen (dossierpagina 111 e.v.). In de ochtend van 5 augustus 2010 wordt de betreffende fiets aangetroffen in het portiek behorende bij de woningen gelegen aan de [adres 3] te [plaats]. Aan de verbalisanten die de fiets aantreffen is ambtshalve bekend dat de moeder van verdachte op het adres [adres 3] woont en dat zowel verdachte als zijn zus regelmatig op dit adres verblijven, zoals ook door verdachte is verklaard. Van zowel verdachte als zijn zus is verbalisanten bovendien ambtshalve bekend dat zij zich veelvuldig hebben schuldig gemaakt aan vermogensdelicten.

Naar aanleiding van deze bevindingen wordt beslist over te gaan tot observatie van het betreffende portiek en de daarbij geparkeerde van diefstal afkomstige fiets.

Diezelfde dag om 15.37 uur zien de observerende verbalisanten verdachte samen met een andere persoon het portiek uitkomen. De laatste pakt de betreffende damesfiets en brengt deze naar binnen. Verdachte fietst weg op een andere fiets. Als de verbalisanten hierop besluiten bij de woning [adres 3] aan te bellen, komt de zus van verdachte vanuit een kelderbox naar boven. Zij verklaart dat zij bezig is met een rode fiets. De verbalisanten gaan hierop mee naar de kelderbox. Zij zien dat de zus van verdachte bezig is met het verwijderen van de rode verf op de van diefstal afkomstige fiets (dossierpagina 46 e.v.).

Gevraagd naar de herkomst van de fiets verklaart de zus van verdachte dat zij deze fiets die ochtend van verdachte heeft gekregen. Hij zou haar oude fiets hebben meegenomen en een andere fiets, met functionerend slot, in de plaats daarvan in het portiek hebben neergezet. Verdachte zou haar de in het portiek geplaatste fiets hebben aangewezen en haar vervolgens de fietssleutel hebben gegeven (dossierpagina 191 e.v.).

Naar aanleiding van voornoemde feiten en omstandigheden heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting van het hof in de eerste plaats betoogd dat nu de verbalisanten zonder toestemming van de bewoner van de betreffende woning, zijnde de moeder van verdachte, maar slechts met toestemming van de zus van verdachte, de woning en de daarbij behorende kelderbox zijn binnengetreden, het daaruit verkregen bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Deze onrechtmatige verkrijging van het bewijs dient te leiden tot bewijsuitsluiting, hetgeen betekent dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs overblijft om tot een bewezenverklaring van het verdachte onder 1 ten laste gelegde te komen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent dat de raadsman in bovenstaand betoog voorbij gaat aan de Schütznorm. Ook al zou er sprake zijn van onrechtmatig binnentreden van de woning van de moeder van verdachte, inclusief de daarbij behorende kelderbox, dan treft dit verdachte niet in het belang dat de beweerdelijk geschonden norm beoogt te beschermen. Een beroep op bescherming tegen een mogelijke schending van belangen van derden komt verdachte op grond van de Schütznorm niet toe. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Door en namens verdachte is daarnaast ter terechtzitting van het hof betoogd dat niet verdachte degene is geweest die de woninginbraak heeft gepleegd en derhalve de fiets heeft gestolen, maar de zus van verdachte, die ook bekend staat als een veelpleger van vermogensdelicten in [plaats].

Het hof hecht geen geloof aan voornoemde (pas) ter terechtzitting in hoger beroep door verdachte gegeven alternatieve lezing van de feiten.

De zus van verdachte heeft ten overstaan van de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de fiets, welke verklaring op geen enkele wijze wordt uitgesloten door de overige het hof uit het procesdossier gebleken feiten en omstandigheden. Het motief voor het afleggen van een voor verdachte belastende verklaring zou hierin slechts kunnen zijn gelegen dat zij haar broer voor de diefstal wil laten opdraaien. Dit acht het hof niet aannemelijk nu zij ook een voor zichzelf belastende verklaring heeft afgelegd: ze bekent zich schuldig te hebben gemaakt aan heling.

Het hof acht - mede op grond van vorenstaande - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - kort gezegd - zich in de nacht van 4 op 5 augustus 2010 schuldig heeft gemaakt aan woninginbraak, waarbij hij buitenlands geld en een rode damesfiets heeft buitgemaakt.

Feit 2

Dit feit behoeft geen nadere bespreking nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard het hem onder 2 ten laste gelegde feit te hebben gepleegd. Op grond van deze bekennende verklaring, de aangifte, de verklaring van verdachtes zus en de verklaring van getuige [getuige 1] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - een inbraak bij een bedrijfspand, waarbij verdachte kinderwagens heeft buitgemaakt.

Feit 3

In de nacht van 14 op 15 juni 2010 worden uit een woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats] verschillende goederen gestolen, waaronder twee mobiele telefoons en een voice-recorder (dossierpagina 130 e.v.).

Met betrekking tot de twee mobiele telefoons, waarvan de IMEI-nummers bekend zijn, is onderzoek gedaan naar de historische gegevens in de periode na voornoemde woninginbraak. Hieruit blijkt dat in een van de telefoons gedurende de dag van 15 juni 2010 een SIM-kaart is geplaatst met een telefoonnummer dat in gebruik is bij verdachte. Uit het procesdossier blijkt daarenboven dat deze telefoon vanaf 21 juni 2010 in gebruik is bij een vriendin van de zus van verdachte.

De andere telefoon is gedurende de periode van een maand, te weten 15 juni 2010 tot en met 14 juli 2010, in gebruik bij [naam] (dossierpagina 135a). Volgens een verklaring van getuige [getuige 2] heeft hij de betreffende telefoon gekocht van verdachte, waarna hij deze heeft doorverkocht aan voornoemde [naam] (dossierpagina 205 e.v.).

Bij een doorzoeking van de woning van de moeder van verdachte aan de [adres 3] wordt in de kamer van verdachte, onder de dekens van verdachtes bed, een voice-recorder van hetzelfde type en merk als bij voornoemde diefstal is buitgemaakt, aangetroffen.

Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niets met de diefstal van voornoemde goederen te maken heeft. Als verklaring voor het feit dat de beide telefoons te linken zijn aan verdachte geeft hij ter terechtzitting van het hof op dat het onder gebruikers gebruikelijk is om SIM-kaarten onderling uit te wisselen. De in zijn bed aangetroffen voice-recorder zou verdachte gratis hebben ontvangen bij een bestelling, waarschijnlijk bij een postorderbedrijf.

Aangaande het verweer met betrekking tot het gebruik van SIM-kaarten overweegt het hof het volgende.

Het verweer dat verdachte zijn SIM-kaart op enig moment na voornoemde inbraak zou hebben gewisseld met een ander, die daarna kennelijk gebruik heeft gemaakt van deze SIM-kaart in een gestolen telefoon, treft geen doel voor wat betreft de telefoon die gedurende voornoemde periode in gebruik is geweest bij [naam]. De in deze telefoon geplaatste SIM-kaart stond immers op naam van die [naam].

In de andere telefoon heeft gedurende een dag na de diefstal de SIM-kaart gezeten die - gelet op het telefoonnummer hiervan - in gebruik is bij verdachte. Nu gedurende die dag met die telefoon en deze SIM- kaart naar de vriendin van verdachte is gebeld, acht het hof het - gelet op hetgeen overigens is aangevoerd - niet aannemelijk geworden dat verdachte zijn SIM-kaart had uitgeleend aan een ander die dan verantwoordelijk zou zijn geweest voor de diefstal van de mobiele telefoon.

Het hof zal op grond van vorenstaande voorbij gaan aan het verweer van de verdediging op dit punt.

Ten aanzien van het verweer omtrent de voice-recorder overweegt het hof dat de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van dit goed niet aannemelijk is geworden. Verdachte poneert slechts een stelling zonder deze gedetailleerd en op grond van aannemelijke feiten en omstandigheden te onderbouwen.

Op grond van de aangifte, het proces-verbaal van politie aangaande het onderzoek naar de buitgemaakte mobiele telefoons, het proces-verbaal van doorzoeking en het feit dat meerdere van de buitgemaakte goederen kort na de diefstal hiervan in verband zijn te brengen met verdachte zonder dat hij hiervoor een (andere) aannemelijke verklaring heeft gegeven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat hij - kort gezegd - zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal.

Feit 5

Ook uit een woning aan de [adres 3] te [plaats] zijn in de vroege ochtend van 30 december 2009 goederen gestolen. Hierbij is eveneens - onder meer - een mobiele telefoon buitgemaakt (dossierpagina 154 e.v.). Uit een onderzoek naar de historische gegevens van deze telefoon is gebleken dat gedurende een periode van ruim twee weken na de diefstal, te weten van 30 december 2009 tot en met 18 januari 2010, met een telefoonnummer dat in gebruik is bij verdachte, diverse malen met de gestolen telefoon is gebeld. Een van de nummers waarnaar is gebeld blijkt in gebruik bij de vriendin van verdachtes oom (dossierpagina 161 e.v.).

Verdachte ontkent betrokkenheid bij de onder 5 ten laste gelegde woninginbraak. Hij stelt zich in hoger beroep eveneens op het bij feit 3 besproken standpunt dat er sprake is geweest van het uitwisselen van SIM-kaarten.

Nu gedurende de periode dat de SIM-kaart van verdachte in de (gestolen) telefoon heeft gezeten, er is gebeld met de vriendin van verdachtes oom, acht het hof het - gelet op hetgeen overigens is aangevoerd - niet aannemelijk geworden dat verdachte zijn SIM-kaart had uitgeleend aan of geruild met een ander, die dan verantwoordelijk zou zijn geweest voor de diefstal van de mobiele telefoon. Het hof gaat ook nu voorbij aan het betoog van de verdediging.

Op grond van de aangifte, het proces-verbaal van politie aangaande het onderzoek naar de buitgemaakte mobiele telefoon en het feit dat een van de buitgemaakte goederen kort na de diefstal hiervan in verband is te brengen met verdachte zonder dat hij hiervoor een (andere) aannemelijke verklaring heeft gegeven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat hij - kort gezegd - zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 primair ten laste gelegde diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 05 augustus 2010 te [plaats], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning en besloten erf waarop een woning staat gelegen aan [adres 1], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen buitenlands geld en een rode damesfiets, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2.

hij op 05 augustus 2010 te [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een perceel aan [adres 2] heeft weggenomen kinderwagens, toebehorende aan het winkelbedrijf Prenatal, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

3.

hij op 15 juni 2010 te [plaats], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres 3], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop, een voice-recorder, een rugtasje (met inhoud), mobiele telefoons (te weten Nokia E71 en Sony Ericsson W910i), horloges en I-pods, toebehorende [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

5.

hij op 30 december 2009 te [plaats], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres 3], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een schoudertas, een handtas (met inhoud), mobiele telefoons (o.a. een Nokia 6021), een Nintendo-spelcomputer met spellen, een geldbedrag en shag toebehorende aan [slachtoffer 2].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1: diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

onder 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

onder 3 primair: diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

onder 5 primair: diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee inbraken bij respectievelijk een woning en een bedrijfspand, alsmede twee diefstallen uit verschillende woningen. Verdachte heeft de diefstallen uit de woningen steeds gedurende de nacht gepleegd, terwijl de bewoners zich thuis bevonden en lagen te slapen. Slachtoffers van dergelijk delicten ondervinden hiervan doorgaans nog lang nadelige gevolgen, aangezien zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig wanen. Verdachte heeft zich van deze mogelijke gevolgen kennelijk keer op keer geen rekenschap gegeven.

Het hof hanteert ter zake van de bewezen verklaarde diefstallen (landelijke) oriëntatiepunten die in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van - in totaal - 35 weken impliceren. Strafverzwarend werkt echter dat er bij verdachte - volgens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 februari 2011 - relevante recidive bestaat. Op basis hiervan dient naar het oordeel van het hof - overeenkomstig het vonnis van de rechtbank - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden als uitgangspunt voor de straftoemeting in onderhavige zaak te gelden. Het hof ziet geen aanleiding uit te gaan van de door de advocaat-generaal gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, nu het hof - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel is dat verdachte niet als een veelpleger is aan te merken zoals gedefinieerd in diezelfde landelijke richtlijnen.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 26 oktober 2010. Hieruit blijkt dat er - gelet op de ernstige verslavingsproblematiek van verdachte en het hiermee samenhangend delictgedrag van verdachte - sprake is van een hoog recidiverisico bij verdachte. Verdachte heeft evenwel zowel bij de Reclassering als ter terechtzitting van het hof aangegeven te willen meewerken aan de behandeling van zijn verslavingsproblematiek.

Gelet op vorenstaande zal het hof - overeenkomstig het vonnis van de rechtbank - een deel van voornoemde gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Het hof zal daarnaast als bijzondere voorwaarde bij de (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf bepalen dat verdachte zich stelt onder reclasseringstoezicht en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dit inhoudt dat hij zijn medewerking dient te verlenen aan een (ambulante) behandeling van zijn verslavingsproblematiek.

Benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partijen, [benadeelde 1] en [benadeelde 2], beiden wonende te [plaats], zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd en dat hun vorderingen in eerste aanleg zijn toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van hen in eerste aanleg gedane vorderingen tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Beide benadeelde partijen hebben schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door elke benadeelde partij afzonderlijk gewaardeerd op € 150,-.

De vorderingen zijn van de zijde van verdachte niet weersproken. Nu beide vorderingen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, kunnen deze worden toegewezen, beide tot een bedrag van € 150,-.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het hem onder 4 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep - en voor zover aan hoger beroep onderworpen - en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vijf maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [plaats], tot een bedrag van honderdvijftig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [plaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [plaats], tot een bedrag van honderdvijftig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [plaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van

mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.