Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP9018

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
24-001643-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OM-appel. Gemotiveerde vrijspraak. Het hof spreekt verdachte vrij van een poging tot zware mishandeling. Ter zake van mishandeling veroordeelt het hof verdachte tot een geldboete van 150 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001643-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-650918-08 en 18-656137-07

Arrest van 24 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 5 juni 2008 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 18-650918-08 en 18-656137-07 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof op 10 maart 2011 heeft de advocaat-generaal nadrukkelijk gesteld dat het hoger beroep zich enkel richt tegen de in zaak A, welke tenlastelegging cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten bevat, ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Het hof zal het openbaar ministerie - wegens gebrek aan belang - niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep ten aanzien van de in zaak A eveneens ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het in de gevoegde zaken A en B ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof komt tot een andere beslissing dan de eerste rechter. Daarom zal het vonnis worden vernietigd en opnieuw recht worden gedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover aan hoger beroep onderworpen - ten laste gelegd, dat:

zaak A

hij op of omstreeks 13 januari 2008, te [plaats ], in ieder geval in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met andere of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] (met) een (kapotte) bierfles tegen/naar het hoofd heeft geslagen/gegooid, meermalen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen, en/of heeft geduwd en/of getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak B

hij op of omstreeks 7 augustus 2007, te [plaats ], in ieder geval in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), heeft geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het in zaak A ten laste gelegde

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, een poging heeft ondernomen om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar het oordeel van de advocaat-generaal kan dit feit wettig en overtuigend bewezen worden. Het hof is een ander oordeel toegedaan en overweegt hiertoe het navolgende.

Verdachte erkent een bierflesje te hebben weggegooid. Hij heeft dit flesje - naar eigen zeggen - schuin achter zich op de straat gegooid. Verdachte ontkent echter het flesje naar of in de richting van [slachtoffer 1] te hebben gegooid.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte keihard met een bierflesje gooide en dat dit flesje tegen het gezicht van een persoon aankwam. Het hof heeft gegronde twijfel over de juistheid van deze verklaring, mede gelet op het feit dat [medeverdachte] de dag voor het incident - in het kader van een andere strafzaak - vanuit zijn voorlopige hechtenis in vrijheid was gesteld. [medeverdachte] had er derhalve belang bij om de rol van verdachte te overdrijven, teneinde zijn eigen rol kleiner te laten doen lijken. Zijn verklaring acht het hof om die reden niet betrouwbaar.

[getuige] kan als objectieve getuige worden beschouwd. Echter, haar enkele verklaring dat één van de getinte jongens heeft gegooid met iets van glas, is onvoldoende om enige betrokkenheid van verdachte bij het incident uit te kunnen afleiden.

De verklaring van het slachtoffer van [slachtoffer 1] biedt ook geen uitsluitsel. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat één van de jongens hem met een bierflesje tegen zijn mond heeft geslagen. Meer dan een algemeen signalement van deze jongen kan [slachtoffer 1] niet geven.

Op grond van het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging omtrent het in zaak B ten laste gelegde

In haar aangifte heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij tengevolge van de trap van verdachte, pijn heeft ondervonden. Verdachte heeft ter zitting van de politierechter en het hof verklaard aangeefster een schop te hebben gegeven. Op grond van deze bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft geschopt en dat aangeefster hiervan pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht in zaak A bewezen dat:

hij op 7 augustus 2007 te [plaats ], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten

[slachtoffer 2]) heeft geschopt, waardoor deze letsel pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2].

Uit het verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 december 2010 blijkt dat hij eenmaal eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Voorts is in aanmerking genomen hetgeen ter terechtzitting door of namens verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht.

Het hof neemt in aanmerking dat het bewezen verklaarde ruim 3,5 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft voorts een beperkte documentatie. Gelet op deze omstandigheden en uit het oogpunt van vergelding, is een geldboete van € 150,- passend. Daarbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft geconstateerd dat er in de appelfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van Mens (EVRM), nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel op 17 juni 2008 een eindarrest is gewezen. Gelet op de geringe hoogte van de geldboete, zal het hof volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in zaak A ten laste gelegde openlijke geweldpleging;

verklaart de verdachte in zaak A ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak B ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van honderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. M.F.H.M. van Haastert, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier, zijnde mr. M.F.H.M. van Haastert buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.