Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8946

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
24-002024-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van mishandeling van twee willekeurige personen. Bij strafoplegging rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, waaronder faillissement en langdurige behandeling door GGZ. Oplegging van 30 uur werkstraf subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002024-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-620468-09

Arrest van 23 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 10 augustus 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

ter terechtzitting van 24 juni 2010 verschenen, doch niet ter terechtzitting van 9 maart 2011. Op laatstgenoemde zitting is als gemachtigd raadsvrouw van verdachte verschenen mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en daarbij een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 35 uren, subsidiair 18 dagen vervangende hechtenis, en voorts dat het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 05 mei 2009, te of nabij [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1], in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze werd gewond en/of pijn ondervond;

2.

verdachte op of omstreeks 05 mei 2009, te of nabij [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze werd gewond en/of pijn ondervond;

3.

verdachte op of omstreeks 05 mei 2009, in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk (het linkervoorscherm en/of het linkerachterportier) van een auto, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in ieder geval aan een ander of anderen dan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vrijspraak

Het hof acht onvoldoende wettig bewijs voorhanden dat verdachte het onder 3 ten laste gelegd heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Overwegingen omtrent het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde ziet op een tweetal incidenten op 5 mei 2009 op de [straat] te [plaats], waarbij verdachte twee hem onbekende automobilisten, die hij met een tijdsinterval van ongeveer een half uur op zijn weg vond, zonder aanleiding met de vuist in het gezicht zou hebben gestompt. Verdachte zelf heeft verklaard geen herinneringen aan de beide incidenten te hebben. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting - kort samengevat - betoogd dat er slechts aanwijzingen zijn dat verdachte de dader zou kunnen zijn, maar dat het wettig bewijs daarvoor ontbreekt.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Op grond van de aangiftes van [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2) kan als vaststaand worden aangenomen dat zij beiden met de vuist in het gezicht zijn geslagen door de bestuurder van een grijze, dan wel beige Mercedes. In beide gevallen gebeurde dat op dezelfde avond, op dezelfde locatie en op dezelfde (onverhoedse) wijze. Van het incident met [slachtoffer 2], dat rond 18.35 uur plaatsvond, was zijn echtgenote en bijrijdster [getuige 2] getuige. [slachtoffer 1] was de enige inzittende in zijn auto. De verbalisant die de aangifte van [slachtoffer 1] heeft opgenomen, heeft evenwel in het proces-verbaal van aangifte gerelateerd dat hij een bloedende hoofdwond bij aangever heeft waargenomen. [slachtoffer 2] loopt als gevolg van de vuistslag een bloedneus op.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het verdachte was die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de verwondingen heeft toegebracht. Het hof heeft daarbij gelet op de verklaring van de getuige [getuige 1]. Daaruit blijkt dat deze getuige verdachte, die hij persoonlijk en bij naam kent, luttele minuten vóór de confrontatie met [slachtoffer 2], was tegengekomen op de [straat]. Verdachte dreigde daarbij, komende met zijn Mercedes vanuit de tegenovergestelde richting, in te rijden op de door [getuige 1] bestuurde auto. Beide auto's kwamen tot stilstand. [getuige 1] opende zijn portierraam om de te verwachten excuses in ontvangst te nemen, maar werd onverwachts verbaal agressief door verdachte bejegend. [getuige 1] reed daarop weg en zag daarbij nog wel dat een Volkswagen Caddy aan kwam rijden, eenzelfde type auto als dat door aangever [slachtoffer 2] werd bestuurd. [slachtoffer 2] werd door de bestuurder van een Mercedes, zoals door [getuige 1] omschreven en waarvan [getuige 1] de bestuurder heeft herkend als verdachte [verdachte], geslagen. Een klein half uur later had [slachtoffer 1] eenzelfde ervaring. De modus operandi van de gedragingen van de bestuurder jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] kwamen overeen.

Verdachte heeft verklaard zich nog slechts te herinneren dat hij aan het begin van die avond in zijn Mercedes vanuit Hoogeveen naar zijn huisadres, de [straat] te [plaats], is gereden. Toen hij de volgende ochtend

ontwaakte, heeft hij van zijn echtgenote gehoord dat hij door een buurjongen is thuisgebracht, nadat hij op straat stond te schreeuwen en te zwaaien.

Het hof is van oordeel dat het - gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien - boven redelijke twijfel is verheven, dat het verdachte is geweest die de onder 1 en 2 ten laste gelegde handelingen heeft verricht.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

verdachte op 05 mei 2009, te of nabij [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1], in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze werd gewond en pijn ondervond;

2.

verdachte op 05 mei 2009, te of nabij [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze werd gewond en pijn ondervond.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 1 en 2, telkens

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van twee hem onbekende en ook overigens willekeurige personen. Hij heeft daarmee niet alleen hun lichamelijke integriteit geschonden, maar ook de redelijke verwachting dat burgers in het dagelijks leven op een normale en bij voorkeur respectvolle manier met elkaar dienen om te gaan beschaamd.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte enkele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld, zowel voor een strafbaar feit met een geweldsaspect als voor andersoortige delicten.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de - enigszins gedateerde - rapportage van de reclassering van 22 juli 2009, alsmede van hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof van 9 maart 2011 over de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren heeft gebracht. Daaruit leidt het hof af dat in 2006 het bedrijf van verdachte, tot dan toe een normaal functionerend zakenman, door brand verloren is gegaan. De nadien optredende verzekeringsproblemen hebben niet alleen tot een faillissement, maar ook tot een echtscheiding geleid. Verdachte is inmiddels langdurig onder behandeling van de GGZ.

Zonder af te doen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en verdachtes verantwoordelijkheid daarin, is het hof van oordeel dat - rekening houdend met alle omstandigheden - volstaan kan worden met een werkstraf. Dat de duur en, met name, de modaliteit daarvan anders zal zijn dan door de advocaat-generaal gevorderd, is gelegen in de beperktere bewezenverklaring alsmede in het gewicht dat, naar het oordeel van het hof, moet worden toegekend aan voornoemde persoonlijke omstandigheden. Het hof zal verdachte daarom een geheel voorwaardelijke werkstraf opleggen van na te melden omvang.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat [benadeelde], wonende te [woonplaats], zich als benadeelde partij in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd voor het feit waarop de vordering betrekking heeft, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, G.M. Meijer-Campfens en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.