Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8943

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
24-002906-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing door Hoge Raad. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk bomen heeft vernield dan wel beschadigd, die aan een ander toebehoorden.

Verdachte stelt dat de bomen hem toebehoorden op grond van verkrijgende verjaring.

Voor een bewezenverklaring van vernieling is vereist dat verdachtes opzet niet alleen gericht was op de vernieling zelf, maar ook op de omstandigheid dat de goederen, in dit geval de bomen, aan een ander toebehoorden. Het hof is van oordeel dat aan dat laatste opzetvereiste in casu niet is voldaan. Vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002906-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-749009-07

Arrest van 23 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.J. Woltman, advocaat te Leeuwarden.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 16 november 2010 het arrest van

dit gerechtshof van 22 oktober 2008 vernietigd. Het arrest van het hof was gewezen in hoger beroep van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 2 oktober 2007. De Hoge Raad heeft de zaak naar dit hof teruggewezen om, met inachtneming van zijn arrest, op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde en de benadeelde partij, als gevolg daarvan, niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 25 september 2006, te [plaats], in de gemeente W√Ľnseradiel, opzettelijk

en wederrechtelijk vier bomen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vrijspraak

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk bomen heeft vernield dan wel beschadigd, die aan een ander toebehoorden.

Vaststaat - onder meer op grond van de door verdachte afgelegde verklaringen - dat verdachte twee bomen heeft geknot en twee (zieke) bomen heeft afgezaagd, die zich bevonden op of nabij de erfafscheiding tussen het perceel van verdachte en dat van zijn buurman, aangever [benadeelde]. Verdachte stelt dat de bomen hem toebehoorden op grond van verkrijgende verjaring.

Voor een bewezenverklaring van vernieling is vereist dat verdachtes opzet niet alleen gericht was op de vernieling zelf, maar ook op de omstandigheid dat de goederen, in dit geval de bomen, aan een ander toebehoorden.

Op grond van de stukken en hetgeen verdachte daaromtrent ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, acht het hof - los van de vraag aan wie de bomen toebehoorden - niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes opzet erop gericht was bomen te vernielen die aan een ander toebehoorden. Daarmee is niet voldaan aan het voor een bewezenverklaring van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht vereiste opzet, zoals hiervoor nader uiteengezet.

Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het hem ten laste gelegde.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij,

[benadeelde], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], niet ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding, door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.