Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8939

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
24-001285-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY4835, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY4835
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij niet bewust naar links heeft gestuurd en gelet op de afstand die verdachte moet hebben afgelegd voordat hij geheel op de verkeerde weghelft reed en de tijd die hiermee moet zijn gemoeid, is verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend geweest.

Een dergelijke gedraging op een weg als deze kan –onder de hierboven omschreven omstandigheden- in beginsel de gevolgtrekking dragen dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001285-10

Parketnummer eerste aanleg: 19-605956-09

Arrest van 23 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 11 mei 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1943] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en hem ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk en tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 mei 2009, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi), daarmede rijdende over de weg, [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (in een flauwe bocht naar rechts) van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook is afgeweken en/of deels is gaan rijden op de rijstrook, die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, tengevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan met een personenauto (merk: Hyundai), waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], inzittende(n) van die personenauto, merk Hyundai, werd(en) gedood;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 2 mei 2009, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Audi), daarmee rijdende op de weg, [straat], met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (in een flauwe bocht naar rechts) van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook is afgeweken en/of deels is gaan rijden op de rijstrook, die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewijsoverweging

Op 2 mei 2009, aan het eind van de middag, heeft op de provinciale autoweg [straat], die loopt van [plaats 2] naar [plaats 3], ter hoogte van [plaats] een frontale aanrijding plaatsgevonden waarbij personenauto's van de merken Audi, Hyundai en Fiat betrokken waren. Het ongeval vond plaats doordat de Audi rijdende vanuit de richting [plaats 3] over de N 34 op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen. Ten gevolge hiervan zijn twee personen overleden.

Uit het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse blijkt dat ter plaatse een snelheid van 100 km/u is toegestaan dat op de plaats van de aanrijding de weg is voorzien van een dubbele doorgetrokken streep en de weg, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, een flauwe bocht naar rechts maakt.

De Audi werd bestuurd door verdachte.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij bekend is met de situatie op de plaats van het ongeval. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet bewust op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Van de toedracht van het ongeval en van het ongeval zelf weet hij zich niets meer te herinneren. Hij kan zich wel herinneren dat hij voor het ongeval ongeveer 80 km/u heeft gereden.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte een verkeersovertreding heeft begaan door de dubbele doorgetrokken streep te overschrijden en op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te rijden.

Het hof overweegt voorts dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij de vraag naar de bewezenverklaring van schuld in de zin van dit artikel komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Provinciale (auto)wegen en zeker die waarbij de rijbanen voor elkaar tegemoetkomend verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals de [straat] ter hoogte van [plaats], zijn wegen waarvan algemeen bekend is dat deze uit verkeerstechnisch oogpunt gevaarlijk zijn. Dergelijke wegen vergen daarom in de regel bijzondere oplettendheid/voorzichtigheid van de weggebruikers. Zulks geldt in nog sterkere mate ter plaatse van het ongeval, omdat de weg daar een flauwe bocht maakt. Dat de situatie op de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden gevaarlijk is, blijkt uit het feit dat er een dubbele doorgetrokken streep op het midden van de weg is aangebracht, ruim ver voordat de flauwe bocht begint. Verdachte, ter plaatse bekend, is in de bocht niet met de bocht meegereden, maar hij is rechtdoor gereden en heeft vervolgens de doorgetrokken strepen op de as van de weg met zijn gehele auto overschreden, daarmee artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 overtredend. Uit de situatieschetsen van het ongeval en de foto (pagina 21) van de schade aan de Audi, die zijn gevoegd bij voornoemd proces-verbaal, blijkt dat de rechter voorzijde van de auto van verdachte met de Hyundai van de tegenliggers in botsing is gekomen. Hieruit leidt het hof af dat verdachte, terwijl hij op de verkeerde weghelft reed, ook hier niet met de bocht is meegereden naar nog steeds rechtdoor reed, waardoor hij op het punt stond de weg af te geraken en rechtdoor de berm in te rijden. Deze afloop is echter verhinderd door de botsing met de tegenligger. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij niet bewust naar links heeft gestuurd en gelet op de afstand die verdachte moet hebben afgelegd voordat hij geheel op de verkeerde weghelft reed en de tijd die hiermee moet zijn gemoeid, is verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend geweest.

Een dergelijke gedraging op een weg als deze kan -onder de hierboven omschreven omstandigheden- in beginsel de gevolgtrekking dragen dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Dat kan anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, waaruit volgt dat van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet kan worden gesproken.

De raadsman van verdachte heeft in dat kader aangevoerd dat het bijna niet anders kan zijn dan dat sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies van verdachte.

Het hof verwerpt dit verweer. De enkele mogelijkheid van tijdelijk bewustzijnsverlies is niet voldoende om het bewustzijnsverlies ook aannemelijk te achten. In het dossier bevinden zich geen medische verklaringen of andere aanwijzingen waaruit de aannemelijkheid van het door de raadsman geopperde bewustzijnsverlies blijkt. Dat verdachte zoals de raadsman heeft aangevoerd een week na het ongeval is flauwgevallen, geeft geen onderbouwing aan het verweer, nu de oorzaak daarvan niet bekend is geworden. Evenmin gaat de redenering van de raadsman op dat aannemelijk is dat verdachte het bewustzijn voor het ongeval moet hebben verloren, omdat hij zich niets van de aanloop naar het ongeval kan herinneren. Integendeel: het hof sluit niet uit dat zowel het latere flauwvallen als het geheugenverlies hun oorzaak vinden in het ongeval.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 2 mei 2009, te [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi), daarmede rijdende over de weg, [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (in een flauwe bocht naar rechts) van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook is afgeweken en is gaan rijden op de rijstrook, die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, tengevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan met een personenauto (merk: Hyundai), waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], inzittenden van die personenauto, merk Hyundai, werden gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Door de schuld van verdachte zijn twee personen om het leven gekomen. Het behoeft geen betoog dat de gevolgen van het ongeval voor alle betrokkenen verschrikkelijk zijn.

Het hof heeft geoordeeld dat verdachte aanmerkelijk onoplettend is geweest voorafgaand aan het ongeval en dat hij daarom schuld heeft aan het ongeval. Dat is een misdrijf en daar dient een straf voor te worden opgelegd.

De rechtspraak hanteert richtlijnen voor het bepalen van de hoogte en de aard van de straf voor dit soort strafbare feiten. Deze richtlijnen houden met betrekking tot de hoogte van de strafmaat onder andere rekening met de gevolgen van het ongeval, maar ook met eventuele strafverzwarende omstandigheden zoals het gebruik van alcohol door de verdachte en de aard van de gedraging (is er roekeloos gereden of is er een grotere of kleinere verkeersfout gemaakt?). Van strafverzwarende omstandigheden is niet gebleken.

Gelet op deze richtlijnen, de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke werkstraf van na te noemen duur alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen een passende bestraffing is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot zestig uren, subsidiair dertig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Greve, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.