Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8915

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
24-003121-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door het Openbaar Ministerie is tenlastegelegd dat - zakelijk weergegeven - verdachte als bestuurder van een rechtspersoon, die in staat van faillissement is verklaard een tweetal bedragen heeft overgemaakt zonder dat daar een betalingsverplichting tegenover stond (artikel 343 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht). Niet is tenlastegelegd dat verdachte op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers, zijn eigen vennootschap(-pen), op enige wijze daarmee heeft bevoordeeld, zoals met straf is bedreigd in artikel 343 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003121-07

Parketnummer eerste aanleg: 18-993007-06

Arrest van 23 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 12 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft bij het vonnis de dagvaarding partieel nietig verklaard en voor het overige de verdachte wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot geldboete van € 20.000,- subsidiair 135 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde, voor zover het betreft het tweede gedachtenstreepje (het niet voldoen aan de administratieverplichting) overwogen dat de dagvaarding op dit punt onvoldoende feitelijk is omschreven en heeft daarom dit deel van de dagvaarding nietig verklaard. De verdachte noch de advocaat-generaal heeft dit oordeel van de rechtbank betwist. Ook het hof acht de dagvaarding op dit punt onvoldoende feitelijk omschreven en verklaart daarom dit deel van de tenlastelegging nietig.

Omdat onder het derde gedachtenstreepje van het subsidiair ten laste gelegde hetzelfde is ten laste gelegd als onder het tweede gedachtenstreepje van het primair ten laste gelegde, zal het hof ook dit deel van de dagvaarding nietig verklaren.

Ontvankelijkheid in de vervolging

Door de verdediging is het standpunt ingenomen dat de volgende (combinatie van) omstandigheden dienen te leiden tot het niet ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging:

* het tijdsverloop, te weten 32 maanden voor de behandeling in eerste aanleg en 30 maanden voor de behandeling in hoger beroep;

* het gedurende tweeënhalf jaar niet geven van een reactie door het openbaar ministerie op door verdachte aangeleverde stukken in een kwestie die wel leidt tot vervolging. Door dit tijdsverloop is de verdediging bemoeilijkt;

* het schenden van het gelijkheidsbeginsel nu mededirecteuren van [bedrijf] niet worden vervolgd;

* het vrijwel ontbreken van speciale en generale preventie bij vervolging.

Een zo ver gaande sanctie als niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan slechts volgen indien sprake is van zodanig ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De door de raadsvrouw genoemde omstandigheden leiden noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel, al was het maar omdat verdachte via zijn overige vennootschappen de meerderheid van stemmen bezat in de vergadering van aandeelhouders en de in de tenlastelegging genoemde bedragen zijn betaald aan vennootschappen die wel met verdachte, maar niet aan de mededirecteuren verbonden waren. Met de overige omstandigheden kan de rechter voor zover nodig bij de beoordeling van de zaak rekening houden. Er is geen sprake van dat deze door de verdediging genoemde omstandigheden een eerlijk proces beletten.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na nietigverklaring van een deel van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

verdachte in of omstreeks de periode van juni 2002 tot en met 11 mei 2004, althans op meerdere tijdstippen, althans enig tijdstip, gelegen in of omstreeks het/de ja(a)(r)(en) 2002 en/of 2003 en/of 2004, te [plaats 1] en/of [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of

elders in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf], die bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op 11 mei 2004 in staat van faillissement was verklaard, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van die rechtspersoon, lasten verdicht heeft en/of geld en/of enig(e) goed(eren) aan de boedel van die rechtspersoon onttrokken heeft, immers heeft verdachte en/of (één van) verdachtes mededader(s)

- van de door die rechtspersoon aangehouden bankrekening bij de ABN AMRO, genummerd [rekeningnummer], meermalen, althans eenmaal, een of meer geldbedrag(en), te weten in het totaal een bedrag van 15.973,79 overgeboekt, althans doen of laten overboeken van [bedrijf] naar [bedrijf] met als rekeningnummer [rekeningnummer] en/of in het totaal een bedrag van € 28.560,-, overgeboekt, althans doen of laten overboeken van [bedrijf] naar [bedrijf]. met als rekeningnummer [rekeningnummer], althans naar (een) andere bankrekening(en), zonder dat daar een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording voor bestond/tegenover stond en aldus/althans buiten het bereik van de (te benoemen) curator gebracht en gehouden;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[bedrijf], in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 11 mei 2004, althans op meerdere tijdstippen, althans enig tijdstip, gelegen in of omstreeks het/de ja(a)(r)(en) 2002 en/of 2003 en/of 2004, te [plaats 1] en/of [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of (elders) in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf] die bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op 11 mei 2004 in staat van faillissement was verklaard,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [bedrijf], lasten heeft verdicht en/of geld en/of enige goed(eren) aan de boedel van voornoemde [bedrijf] heeft onttrokken, immers heeft voornoemde [bedrijf] en/of (één van) de mededaders(s) van [bedrijf]

- van de door die [bedrijf] aangehouden bankrekening bij de ABN Amro, genummerd [rekeningnummer], meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geldbedrag(en), te weten in het totaal een bedrag van € 15.973,79 overgeboekt, althans doen of laten overboeken van kaan [bedrijf] naar [bedrijf] met als rekeningnummer [rekeningnummer], althans naar (een) andere bankrekening(en), zonder dat daar een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording voor bestond/tegenover stond en aldus/althans buiten het bereik van de (te benoemen) curator gebracht en gehouden, en/of

- en/of in het totaal een bedrag van € 28.560,-, overgeboekt, althans doen of laten overboeken van [bedrijf] naar [bedrijf]. met als rekeningnummer [rekeningnummer], althans naar (een) andere bankrekening(en), zonder dat daar een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording voor bestond/tegenover stond en aldus/althans buiten het bereik van de (te benoemen) curator gebracht en gehouden,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten opdracht heeft gegeven, althans feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.

Vrijspraak

Met betrekking tot de bewijsbeslissing overweegt het hof als volgt:

De tenlastelegging vermeldt onder het primair ten laste gelegde artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof beschouwt dat als een kennelijke misslag nu ook dat onderdeel van de tenlastelegging onmiskenbaar is gebaseerd op artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat verdachte hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad.

Door het Openbaar Ministerie is tenlastegelegd dat - zakelijk weergegeven - verdachte als bestuurder van een rechtspersoon, die in staat van faillissement is verklaard een tweetal bedragen heeft overgemaakt zonder dat daar een betalingsverplichting tegenover stond (artikel 343 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht). Niet is tenlastegelegd dat verdachte op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers, zijn eigen vennootschap(-pen), op enige wijze daarmee heeft bevoordeeld, zoals met straf is bedreigd in artikel 343 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

De kern van het verweer van verdachte is dat aan de betalingen van respectievelijk € 28.560 en € 15.973 ten laste van [bedrijf] wel degelijk betalingsverplichtingen van [bedrijf] ten grondslag lagen. Namens verdachte is in hoger beroep een overzicht verstrekt van de betalingen tussen [bedrijf] enerzijds en [bedrijf], respectievelijk [bedrijf]. en [bedrijf] anderzijds. Bij al die vennootschappen was verdachte betrokken. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat binnen de diverse vennootschappen geldtransacties plaatsvonden die leidden tot overeenkomstige vorderingen/schulden tussen die vennootschappen waarover rente werd berekend. Dit standpunt komt het hof niet onaannemelijk voor. In de zich in het dossier bevindende jaarstukken 2002 van [bedrijf] wordt melding gemaakt van schulden in de rekening-courantverhoudingen tussen diverse met verdachte verbonden vennootschappen. Mededirecteur [naam] van [bedrijf] heeft in zijn eerste verhoor bij de SIOD verklaard dat verdachte wel geld in [bedrijf] heeft gepompt. Ook de door verdachte overgelegde overzichten en bankafschriften bieden steun aan verdachtes stelling dat [bedrijf] en andere met verdachte verbonden vennootsschappen een vordering hadden op [bedrijf] Het hof acht niet bewezen dat aan de betaling van € 28.560 door [bedrijf] geen betalingsverplichting ten grondslag ligt. Het hof hecht geen waarde aan verklaringen van mededirecteuren van [bedrijf] dat de met verdachte verbonden vennootschappen geen vorderingen hadden op [bedrijf] Dat mag dan zo zijn geweest ten tijde van het verhoor van die mededirecteuren, maar niet is komen vast te staan dat er ten tijde van de betalingen geen vorderingen waren op [bedrijf] De curator heeft in zijn aangifte verklaard dat door verdachte gelden van de rekening van [bedrijf] zijn geboekt zonder dat daar een betalingsverplichting tegenover stond. Het is - tegen de achtergrond van hetgeen hierboven is overwogen - niet duidelijk geworden waarop die mededeling is gebaseerd.

Ten aanzien van de betaling van € 15.973 heeft verdachte aangevoerd dat hij al in de fase van het opsporingsonderzoek aan de opsporingsambtenaren drie facturen van [bedrijf] aan [bedrijf] wegens inlenen van personeel heeft overhandigd waaruit blijkt dat ook aan deze betaling een betalingsverplichting ten grondslag ligt. Uit het door verdachte overgelegde overzicht blijkt dat die (restant)betaling inderdaad betrekking kan hebben op de drie overgelegde facturen. De op de betalingsopdracht vermelde factuurnummers corresponderen met het factuurnummer van één van de overgelegde facturen en de boekstuknummers van de twee andere facturen. Uit de verklaring van de mededirecteuren blijkt dat er inderdaad personeel werd ingehuurd bij met [bedrijf] gelieerde bedrijven. Hoewel één van de mededirecteuren heeft verklaard dat een te hoog uurloon in rekening is gebracht, staat dat geenszins vast. Het hof acht niet bewezen dat aan (een deel van) de betaling van € 15.973 geen schuld van [bedrijf] aan [bedrijf] ten grondslag lag.

De betreffende facturen zijn niet betaald aan [bedrijf], maar (volgens verdachte abusievelijk) aan [bedrijf] Nu voldoende duidelijk is geworden dat [bedrijf] door betaling aan [bedrijf] is bevrijd van haar verplichting tot betaling jegens [bedrijf], acht het hof deze omstandigheid niet van belang.

Het hof acht op grond van het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

De benadeelde partij wordt, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat verdachte ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast. De benadeelde partij wordt veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het laatste gedachtenstreepje van het primair en subsidiair ten laste gelegde (niet voldoen aan de administratieverplichting);

verklaart het verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.