Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8822

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
24-002420-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen, vernielen of onbruikbaar maken van de in de bewezenverklaring genoemde goederen. De verdachte heeft met dit handelen schade en overlast berokkend aan de gedupeerden en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van de gedupeerden.

Het hof heeft met name gelet op het blanco strafrechtelijk verleden van de verdachte en is uit een oogpunt van normhandhaving en ter voorkoming van herhaling van het plegen van strafbare feiten door de verdachte van oordeel dat volstaan kan worden met de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van dertig uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-002420-10

parketnummer eerste aanleg: 19-700405-10

Arrest van 21 maart 2011 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Assen van 29 september 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Bosma, advocaat te Assen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende jeugddetentie.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal toewijzen, tot een bedrag van € 4.656,36, de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en zal bepalen dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is tot betaling van genoemd bedrag.

Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te en in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (de deuren en/of ruiten en/of de omgeving van) een flatgebouw (aan de [straat]) en/of blikken verf/coating, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [stichting] en/of de [benadeelde] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 juli 2010 te en in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk de ruiten en de galerij van een flatgebouw aan de [straat], toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, heeft beschadigd en blikken coating, toebehorende aan [bedrijf],

heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat aan een ander toebehoort beschadigen

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen, vernielen of onbruikbaar maken van de in de bewezenverklaring genoemde goederen. De verdachte heeft met dit handelen schade en overlast berokkend aan de gedupeerden en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van de gedupeerden.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 januari 2011, waaruit ten voordele van de verdachte blijkt dat hij nimmer is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens is gebleken uit het strafdossier.

Het hof heeft bij dit alles met name gelet op het blanco strafrechtelijk verleden van de verdachte en is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter voorkoming van herhaling van het plegen van strafbare feiten door de verdachte van oordeel dat volstaan kan worden met de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van hierna te noemen duur.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg deels is toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 4.656,36. Derhalve kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij dient in het overige deel van de vordering - te weten de geschatte overige kosten ad € 1.728,42 - niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu rechtstreeks verband van dit gedeelte van de vordering met het strafbaar feit niet concreet is onderbouwd, terwijl dit deel van de vordering door de raadsman in twijfel wordt getrokken en in zoverre wordt bestreden. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 4.656,36 die door het bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77gg, 36f, 350 en 352 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], gevestigd te [vestigingsplaats], tot een bedrag van vierduizend zeshonderdzesenvijftig euro en zesendertig cent, met dien verstande dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan de verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierduizend zeshonderdzesenvijftig euro en zesendertig cent ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde], gevestigd te [vestigingsplaats];

beveelt dat vervangende jeugddetentie voor de duur van zesenvijftig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien de veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. J. Dolfing, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.