Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8678

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
24-001531-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake het overtreden van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001531-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-905923-08

Arrest van 21 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 8 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte

mr. I.M. Weijers, advocaat te Emmen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep

Van de terechtzitting in eerste aanleg is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarom kan het hof niet beoordelen of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden en of het vonnis aan de wettelijke eisen voldoet. Het vonnis zal in zoverre om deze reden worden vernietigd en het hof zal in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 21 mei 2008 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 410 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 21 mei 2008 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, tweewielige bromfiets, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 410 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 21 mei 2008 op een bromfiets gereden terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank. Verdachte heeft zich hiermee onverantwoordelijk getoond in zijn verkeersgedrag en de belangen van de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, veronachtzaamd.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 februari 2011. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Ter terechtzitting van het hof op 7 maart 2011 is door de raadsvrouw een kopie van het rapportageconcept d.d. 8 november 2010 van de psycholoog M. Heutink betreffende de persoon van de verdachte opgemaakt in opdracht van de bedrijfsarts ten behoeve van een medische keuring, overgelegd. In dit rapportageconcept staat onder meer beschreven dat bij verdachte sprake is van borderline persoonlijkheidspathologie met een verhoogde psychotische gevoeligheid, dat verdachte niet belastbaar is voor arbeid en de verwachting is dat dit in de toekomst niet zal veranderen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat verdachte naast psychische ook financiële problemen heeft. Zij heeft bepleit dat aan verdachte in plaats van een geldboete een taakstraf wordt opgelegd.

Op grond van de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting is, gelet op de recidive van verdachte, een geldboete van 220 euro passend.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde geldboete passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met verdachtes financiële draagkracht, voor zover deze ter terechtzitting is gebleken.

Een taakstraf, zoals door de raadvrouw bepleit, is naar het oordeel van het hof in deze zaak niet aan de orde. Gelet op de conclusies van de psycholoog lijkt verdachte ook niet in staat om een taakstraf te verrichten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van honderdnegentig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.