Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7912

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
24-002574-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling, met aanvulling en verbetering van gronden bevestigd. Verdachte wordt ter zake van - kort gezegd - poging tot beroving veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt dat hij moet meewerken aan een onderzoek en een eventuele ambulante behandeling door de AFPN. Het beroep strekkende tot niet-ontvnakelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel strafcompensatie (als bedoeld in artikel 359a Sv), wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002574-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-670276-10

Arrest van 17 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 18 oktober 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Veenhuizen, gevangenis Groot Bankenbosch te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J. Jansma, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft op vorderingen tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 januari 2011 en 3 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en verdachte ter zake het hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt dat verdachte moet meewerken aan een onderzoek en behandeling door de AFPN. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Leeuwarden van 7 juli 2009 en een bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 augustus 2009 opgelegde voorwaardelijke straf zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafbaarheid van de dader, de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 17/682021-09, alsmede de bij deze beslissingen gegeven motiveringen, met uitzondering van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen en strafmotivering. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.

Met betrekking tot de beslissing ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 07/630078-09 zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, om hierna te noemen redenen.

Verweren van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu er sprake zou zijn van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Deze ernstige inbreuken zouden hierin bestaan dat er bewijsmateriaal, te weten een zogenoemde handknijper, is vernietigd, voordat dit bewijsmateriaal is onderzocht op eventuele (biologische) sporen. Een DNA-onderzoek van de op het plaats delict aangetroffen handknijper had volgens de raadsman definitief uitsluitsel kunnen geven over de vraag of verdachte de derde persoon is geweest met wie de twee medeverdachten verklaren de poging tot beroving te hebben gepleegd. Verdachte ontkent immers het hem ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

Uit het procesdossier blijkt dat de raadsman van verdachte in het kader van een mini-instructie de rechter-commissaris heeft verzocht onderzoek door het NFI te laten verrichten naar biologische contactsporen op een in beslag genomen muts en een handknijper. Uit een schriftelijke reactie van de officier van justitie d.d. 20 september 2010 blijkt dat deze nog te onderzoeken goederen op dat moment waren vernietigd. In een bij het schrijven van de officier van justitie gevoegd aanvullend proces-verbaal van de politie komen de redenen voor deze vernietiging naar voren. De muts zou volgens een verklaring van medeverdachte [medeverdachte] slechts gedragen zijn door [medeverdachte] en de handknijper bleek bij navraag bij de technische recherche niet geschikt voor nader onderzoek, nu hij doorweekt was met slootwater. Medeverdachte [medeverdachte] heeft vervolgens aangegeven de goederen niet terug te willen hebben, waarop deze zijn vernietigd.

Het hof is van oordeel dat er met het vernietigen van de handknijper, voordat het NFI onderzoek heeft kunnen doen naar biologische sporen hierop, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De enkele mededeling van de technische recherche dat de handknijper niet geschikt was voor nader onderzoek, is niet voldoende om vast te stellen dat dit voorwerp op geen enkele wijze kon worden onderzocht.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof echter gesteld dat een DNA-onderzoek van huidepitheel, welk bij nader onderzoek van de handknijper hierop zou zijn aangetroffen, definitief uitsluitsel zou hebben gegeven over de vraag of verdachte bij de poging tot beroving betrokken is geweest. Het hof begrijpt deze stelling van de raadsman aldus dat het door de raadsman verzochte onderzoek onomstotelijk tot de conclusie zou hebben geleid dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij het hem ten laste gelegde feit.

Deze conclusie van de raadsman kan naar het oordeel van het hof niet worden getrokken, nu het niet aantreffen van huidepitheel van verdachte op de handknijper niet betekent dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij het ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet gebleken dat verdachte enig nadeel heeft ondervonden van voornoemd verzuim.

Het hof ziet gelet op vorenstaande geen aanleiding voor toepassing van het door de raadsman gestelde gevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel strafcompensatie, maar zal volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim zonder daaraan rechtsgevolgen te verbinden.

Verbetering bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat het eerste door de rechtbank in het vonnis opgenomen bewijsmiddel, betreffende de aangifte van [slachtoffer], dient te worden vervangen door het hierna opgenomen en uitgewerkte bewijsmiddel, zodat ook de in de bewezenverklaring genoemde pleegplaats '[plaats]' wordt belegd.

Een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 22 juni 2010 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, Basiseenheid Centrum (dossierpagina's 103 tot en met 105 van een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 2 augustus 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent, Basiseenheid Zuid), inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van aangever [slachtoffer], afgelegd op 22 juni 2010:

Vandaag rond 00.45 uur fietste ik op het fietspad van de [straat 1] te [plaats]. Ik fietste van mijn werk en richting mijn huis. Ik werk bij het [bedrijf] en ik woon aan de [adres] te [plaats]. Ik kwam uit de richting van het [straat 2]. Ik kwam onder de tunnel door en toen zag ik links van mij drie personen uit de bosschages van het park komen. Ze kwamen allen op mij afgerend. Ik zag dat ze hun gezichten bedekt hadden. Ik dacht meteen: "dit is foute boel." Ik kon naar rechts uitwijken. Ik fietste de weg op die naast het fietspad ligt. De drie manspersonen kwamen achter mij aangerend. Ik probeerde zo snel mogelijk te trappen. Ik voelde dat ik door een van de drie werd geduwd, deze persoon probeerde mij van mijn fiets te duwen. Dit is gelukkig niet gelukt. Ik bleef overeind en zo snel ik kon ben ik doorgefietst.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gepoogd op de openbare weg een willekeurige voorbijganger te beroven. Zij hebben zich daartoe nabij een fietspad schuil gehouden totdat een potentieel slachtoffer voorbij kwam. Zodra zij een fietser - aangever [slachtoffer] - in het vizier kregen, zijn ze met bedekte gezichten en voorzien van een boksbeugel op de fietser afgerend met de bedoeling om hem te beroven. [slachtoffer] heeft weten te ontkomen, ondanks dat er is getracht hem van zijn fiets te duwen.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 9 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens - onder meer - gekwalificeerde diefstal en medeplegen van voorbereiding van afpersing is veroordeeld.

Het hof hanteert ter zake van (een voltooide) overtreding van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (ressortelijke) oriëntatiepunten die onder de omstandigheden van dit geval in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden impliceren. Strafverzwarend werkt in onderhavige zaak dat verdachte de poging tot beroving heeft gepleegd met twee mededaders, op de openbare weg en dat er bij verdachte - zoals reeds genoemd - sprake is van relevante recidive. Aangezien in onderhavige zaak sprake is van een poging tot beroving, zal het hof - evenals de rechtbank en de advocaat-generaal - uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Het hof houdt voorts rekening met een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van Reclassering Nederland d.d. 10 september 2010. Hieruit blijkt dat er sprake is van een hoog recidiverisico bij verdachte. Verdachte blijkt weinig gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken. Hij wordt getypeerd als een moeilijk begeleidbare jongen. De Reclassering adviseert in dit kader dan ook een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, dat in de toekomst mede moet bestaan uit een behandeling bij de AFPN.

Gelet op vorenstaande zal het hof een deel van voornoemde gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, welk deel - overeenkomstig het vonnis van de rechtbank en anders dan bij de medeverdachten - 6 maanden zal bedragen. Aan het betoog van de advocaat-generaal dat alle medeverdachten een gelijke rol in het gepleegde strafbare feit hebben gehad, en derhalve gelijk gestraft dienen te worden, gaat het hof voorbij. Het hof acht het van belang de initiërende rol van verdachte in de op te leggen straf tot uitdrukking te brengen. Het hof zal gelet op voornoemd reclasseringsadvies als bijzondere voorwaarde bij de (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf bepalen dat verdachte zich stelt onder reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt dat hij moet meewerken aan een behandeling bij de AFPN.

Tenuitvoerlegging (parketnummer eerste aanleg 07/630078-09)

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de officier van justitie de veroordeelde weliswaar tot bijwoning van het onderzoek heeft opgeroepen, zoals artikel 14h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft, maar niet, dat de officier van justitie bij die oproeping de (correcte) vordering tot tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor de duur van drie maanden, de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 augustus 2009, aan de veroordeelde heeft betekend, zal het hof voormelde vordering van de officier van justitie afwijzen.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

bevestigt met verbetering en aanvulling van gronden het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 07/630078-09 ;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 07/630078-09, en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Zwolle-Lelystad van 25 augustus 2009.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.