Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7911

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
24-002576-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging, met aanvulling en verbetering van gronden bevestigd. Verdachte wordt ter zake van - kort gezegd - poging tot beroving veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Het beroep op vrijwillige terugtred wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002576-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-670270-10

Arrest van 17 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 18 oktober 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

ingeschreven en verblijvende te Leeuwarden, Holstmeerweg 7,

in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 januari 2011 en 3 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en verdachte ter zake het hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Ten aanzien van de in beslag genomen mobiele telefoon heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de teruggave van dit voorwerp aan verdachte gelast.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van de dader, alsmede de bij deze beslissingen gegeven motiveringen, met uitzondering van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.

Ten aanzien van de strafoplegging zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, om hierna te noemen redenen.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot de bewezenverklaring de navolgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 22 juni 2010 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, Basiseenheid Centrum (dossierpagina's 103 tot en met 105 van een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 2 augustus 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent, Basiseenheid Zuid), inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van aangever [slachtoffer], afgelegd op 22 juni 2010:

Vandaag rond 00.45 uur fietste ik op het fietspad van de [straat 1] te [plaats]. Ik fietste van mijn werk en richting mijn huis. Ik werk bij het [bedrijf] en ik woon aan de [adres] te [plaats]. Ik kwam uit de richting van het [straat 2]. Ik kwam onder de tunnel door en toen zag ik links van mij drie personen uit de bosschages van het park komen. Ze kwamen allen op mij afgerend. Ik zag dat ze hun gezichten bedekt hadden. Ik dacht meteen: "dit is foute boel." Ik kon naar rechts uitwijken. Ik fietste de weg op die naast het fietspad ligt. De drie manspersonen kwamen achter mij aangerend. Ik probeerde zo snel mogelijk te trappen. Ik voelde dat ik door een van de drie werd geduwd, deze persoon probeerde mij van mijn fiets te duwen. Dit is gelukkig niet gelukt. Ik bleef overeind en zo snel ik kon ben ik doorgefietst.

2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 4 oktober 2010, inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik ben bij de poging tot beroving geweest. We hadden het erover gehad om geld te verdienen. We hadden het gehad over een beroving. De man kwam onder het viaduct vandaan. We zagen de man aankomen en toe zei [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]): "dit gaat hem worden." Toen zijn we op hem afgerend. Ik had een bandana om. Ik heb de bandana over mijn lippen getrokken. Ik rende achter [medeverdachte 1] aan. Ik had een boksbeugel bij me.

3. Een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 28 juni 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2], beiden voornoemd (dossierpagina's 46 tot en met 51 van het onder 1. genoemde dossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van verdachte:

V: [verdachte] we hebben jou aangehouden voor poging tot beroving. Heb jij enig idee wat wij daarmee bedoelen?

A: Ik denk dat dat is omdat een vriend van mij richting een man is gerend met een fiets.

V: [verdachte] zou jij ons uit kunnen leggen hoe dat precies is gegaan en wie daarbij waren.

A: Ik was samen met [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) en een andere vriend van mij. We waren de hele avond al buiten. We hadden wat geblowd en liepen wat rond. Omstreeks 01.00 uur kwam er een man op een fiets aan. Die vriend van mij rende toen achter die man op de fiets aan en gaf hem nog een duwtje. De man op de fiets wist te ontkomen.

A: [medeverdachte 2] en ik zijn met die jongen meegelopen. We hadden het er tijdens het roken van de joint wel over gehad. We kunnen iemand pakken. [medeverdachte 2] en die vriend hadden beide geen geld.

V: Waarom droeg jij de bandana voor jouw gezicht?

A: Ik was erop voorbereid dat er iets zou gaan gebeuren, ik wilde onherkenbaar zijn.

V: Hadden jullie wapens bij jullie?

A: Ik heb altijd een boksbeugel bij me.

V: Waar had jij die boksbeugel toen die man eraan kwam fietsen.

A: Ik had hem om mijn rechterhand gedaan, klaar om te gebruiken. Toen de man eraan kwam, ben ik richting de man gerend met de boksbeugel om mijn hand. Toen de man ontkwam, heb ik hem weer in mijn zak gedaan.

4. Een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 22 juni 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden voornoemd (dossierpagina's 17 tot en met 20 van het onder 1. genoemde dossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd op 22 juni 2010:

V: Hoe zag jouw dag er gisteren uit?

A: Ik ben omstreek 21.30 uur bij mijn broer weggegaan. Ik ben toen gaan chillen met mijn vriend [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). [verdachte] had een kameraad bij zich. We hebben wat lopen chillen bij het parkje nabij het tunneltje. Op een gegeven moment kwam de vriend van [verdachte] met het idee om iemand te beroven. We besloten toen gehurkt bij het aanwezige fietspad te gaan zitten. Er kwam op een gegeven moment een jongen op een fiets voorbij. De kameraad van [verdachte] rende naar de fietser, [verdachte] erachter en ik als derde. De kameraad van [verdachte] probeerde de jongen op de fiets te pakken, dat lukte niet. De jongen kon door fietsen. De jongen op de fiets ging er met grote snelheid vandoor.

5. Een proces-verbaal, nr. [nummer], d.d. 23 juni 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2], beiden voornoemd (dossierpagina's 21 tot en met 26 van het onder 1. genoemde dossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [medeverdachte 2]:

V: op welk moment besloten jullie een beroving te plegen.

A: De vriend van [verdachte] kwam met het idee.

V: Wat zei hij precies tegen [verdachte] en jou?

A: Laten we iemand roven.

V: Hoe droeg jij je sjaal ten tijde van de poging beroving?

A: Ik had de sjaal voor mijn gezicht gedaan, om niet herkenbaar te zijn.

Voornoemde bewijsmiddelen vervangen de in het vonnis van de rechtbank op p. 2 genoemde bewijsmiddelen.

Strafbaarheid

Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij vrijwillig zou zijn teruggetreden, als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zou samen met zijn medeverdachten van plan zijn geweest aangever [slachtoffer] te beroven. Op het moment dat hij samen met de anderen op [slachtoffer] afrende, heeft hij zich echter bedacht en is gestopt met rennen. De voltooiing van de beroving is hierdoor uitgebleven, aldus de verdediging.

Verdachte heeft voor het eerst ten overstaan van de rechter-commissaris op 1 juli 2010 verklaard dat hij zich - tijdens het rennen naar de fietser - zou hebben bedacht en zou zijn gestopt met rennen. Voorafgaande aan dit verhoor is verdachte driemaal ten overstaan van de politie gehoord. Tijdens deze verhoren heeft verdachte gedetailleerde verklaringen afgelegd omtrent hetgeen heeft plaatsgevonden op 22 juni 2010. Verdachte heeft toentertijd nimmer aangegeven dat hij zich op enig moment heeft bedacht. Ook medeverdachte [medeverdachte 2], die volgens verdachte zich tegelijkertijd met verdachte zou hebben bedacht en ook gestopt zou zijn met rennen, heeft niets in die trant verklaard. Nu [medeverdachte 2] als laatste in de rij, en derhalve achter verdachte, liep, ligt het in de rede dat hij een en ander zou hebben waargenomen. [medeverdachte 2] heeft overigens ook nimmer verklaard zelf te zijn gestopt met rennen omdat hij zich op enig moment zou hebben bedacht. Ook de verklaring van aangever [slachtoffer] is op dit punt duidelijk; er zijn drie personen op hem toe gerend en achter hem aangerend.

Vorenstaande maakt dat het hof de verklaringen zoals verdachte die bij de politie heeft afgelegd - in tegenstelling tot zijn latere verklaringen - op dit punt geloofwaardig en betrouwbaar acht.

Op grond van vorenstaande is niet aannemelijk dat verdachte op enig moment voordat de fietser heeft weten te ontkomen, is gestopt met rennen. Het verweer van de raadsman faalt, nu het feitelijke grondslag mist. Het hof acht verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gepoogd op de openbare weg een willekeurige voorbijganger te beroven. Zij hebben zich daartoe nabij een fietspad schuil gehouden totdat een potentieel slachtoffer voorbij kwam. Zodra zij een fietser - aangever [slachtoffer] - in het vizier kregen, zijn ze met bedekte gezichten en voorzien van een boksbeugel op de fietser afgerend met de bedoeling om hem te beroven. [slachtoffer] heeft weten te ontkomen, ondanks dat er is getracht hem van zijn fiets te duwen.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 14 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens - onder meer - gekwalificeerde diefstal is veroordeeld.

Het hof hanteert ter zake van (een voltooide) overtreding van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht - anders dan de raadsman heeft aangegeven - ressortelijke oriëntatiepunten die onder de omstandigheden van dit geval in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden impliceren. Strafverzwarend werkt in onderhavige zaak dat verdachte de poging tot beroving heeft gepleegd met twee mededaders, op de openbare weg en dat er bij verdachte - zoals reeds genoemd - sprake is van relevante recidive. Aangezien in onderhavige zaak sprake is van een poging tot beroving, zal het hof - evenals de rechtbank en de advocaat-generaal - uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Het hof houdt voorts rekening met een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van Reclassering Nederland d.d. 23 augustus 2010. Hieruit blijkt dat er sprake is van een hoog gemiddeld recidiverisico bij verdachte. Verdachte blijkt, zoals hij ook ter terechtzitting van het hof heeft aangegeven, gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken. De Reclassering adviseert in dit kader dan ook een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Gelet op vorenstaande zal het hof een deel van voornoemde gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, welk deel - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - 9 maanden zal bedragen. Het hof zal een groter deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke zin aan verdachte opleggen dan de rechtbank heeft gedaan om op deze wijze een voor verdachte grotere stok achter de deur te creëren. Verdachte heeft aangegeven een positieve wending aan zijn leven te willen geven, hij zal dit nu ook waar moeten maken. In het kader hiervan zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf bepalen dat verdachte zich stelt onder reclasseringstoezicht. Het hof heeft bij de op te leggen straf overigens mede in aanmerking genomen dat verdachte geen initiërende rol in het geheel heeft gehad.

Beslag

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman betoogd dat ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon van het merk en type Nokia N97 en het paintballgeweer nog geen beslissing is genomen.

Het hof zal - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal in dezen - de teruggave gelasten van de betreffende telefoon aan verdachte. Het hof zal tevens teruggave gelasten van het onder verdachte in beslag genomen paintballgeweer, nu niet kan worden vastgesteld dat dit voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

bevestigt met verbetering en aanvulling van gronden het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de strafoplegging;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor wat betreft de strafoplegging, en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van negen maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave van verdachte aan:

- mobiele telefoon, Nokia N97;

- paintballgeweer.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.