Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7682

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
24-002306-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling alsmede wederspannigheid.

Beroep op ontoerekeningsvatbaarheid verworpen.

Sprake van undue delay. Strafkorting en gedeeltelijke toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002306-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880464-07

Parketnummer TUL: 17-880295-06

Arrest van 15 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 16 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J. van Rooij, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 110 uren.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 30 januari 2007 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden gedeeltelijk zal ten uitvoer leggen, met dien verstande dat 2 maanden gevangenisstraf zal worden omgezet in een werkstraf voor de duur van 120 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 7 december 2007 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1] en/of te [plaats 2] in de gemeente [gemeente 2] en/of te [plaats 3], in de gemeente [gemeente 3], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

[slachtoffer 1] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk in genoemde periode

- [getuige 1] (alszijnde voorganger van de Joshua gemeente en die in die hoedanigheid veel contact met verdachte had) dreigend de woorden toegevoegd: "zodra ik vrij kom, neem ik wraak op haar of op iemand die haar dierbaar is" en/of die [getuige 1] telefonisch benaderd en dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ben naar haar onderweg" en/of (vervolgens) tegen die [getuige 1] gezegd dat hij [slachtoffer 1] moest waarschuwen en/of die [getuige 1] een SMS-bericht gestuurd met de tekst: "Bedankt voor alles wat jullie voor mij hebben gedaan. ik hoop dat jullie mij ook begrijpen, maar ik moet iets doen om wraak te kunnen uiten. Sorry dat ik jullie heb teleurgesteld. Nu het zover is, weet zij nu ook wat het is om iemand te verliezen. Nogmaals sorry.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, althans welke woorden van gelijke aard en/of strekking bestemd was/waren voor [slachtoffer 1] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke bedreiging, althans welke dreigende woorden en/of welke woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking (vervolgens) door [getuige 1] (en/of door diens vrouw [naam]) (in genoemde periode) aan die [slachtoffer 1] ter kennis is/zijn gebracht;

De in de tenlastelegging vermelde naam "[slachtoffer 1]", heeft het hof als kennelijke misslag verbeterd in "[slachtoffer 1]".

2.

hij op of omstreeks 7 december 2007, te [plaats 3], in de gemeente [gemeente 3], toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) (te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], beide(n) hoofdagent van politie) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of door het vastpakken van en/of trekken aan het dienstwapen van voornoemde [verbalisant 1].

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 juni 2007 tot en met

7 december 2007 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van zijn voormalige partner, [slachtoffer 1].

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de bedreiging, maar dat de door hem geuite woorden opgevat dienen te worden als een schreeuw om hulp.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 7 december 2007 wordt verdachte uit detentie ontslagen vanuit de penitentiaire inrichting De Marwei in Leeuwarden, alwaar verdachte sinds 1 juni 2007 gedetineerd is. Een kennis van verdachte, [getuige][getuige 1], bezoekt verdachte in die periode geregeld en haalt hem op 7 december 2007 op. [getuige] brengt verdachte naar crisisopvang [opvang] te [plaats 2]. Een medewerkster van [opvang] constateert aldaar dat verdachte behoorlijk wraakzuchtig is ten opzichte van zijn ex-vriendin [slachtoffer 1]. Na de intake verlaat verdachte diezelfde dag op eigen initiatief de inrichting.

[getuige 1] verklaart dat verdachte op 7 december 2007 - nadat hij de crisisopvang heeft verlaten - telefonisch contact met hem opneemt en meedeelt dat hij naar [slachtoffer 1] onderweg is. Verdachte verzoekt [getuige 1] [slachtoffer 1] te waarschuwen. Verdachte stuurt [getuige 1] vervolgens een sms-bericht met de tekst: "Bedankt voor alles wat jullie voor mij hebben gedaan. Ik hoop dat jullie mij ook begrijpen, maar ik moet iets doen om mijn wraak te kunnen uiten. Sorry dat ik jullie heb teleurgesteld. Nu het zover is, weet zij nu ook wat het is om iemand te verliezen. Nogmaals sorry".

Tegenover de politie verklaart getuige [getuige 1] voorts dat verdachte gedurende zijn bezoeken aan de Marwei uitlatingen heeft gedaan jegens [slachtoffer 1], ondermeer inhoudende: "zodra ik vrij kom, neem ik wraak op haar of iemand die haar dierbaar is'.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte bekend dat hij de in de tenlastelegging opgenomen woorden tegen [getuige 1] heeft geuit alsmede het sms-bericht heeft gestuurd.

Uit de aangifte en de verklaring van [getuige 1], in samenhang bezien met de verklaring die verdachte ten overstaan van de rechtbank heeft afgelegd: "Ik weet dat [getuige 1] hetgeen ik tegen hem zeg, vervolgens vertelt aan zijn vrouw [naam]. [naam] vertelt het dan aan [slachtoffer 1]; zij zijn vriendinnen van elkaar", volgt naar het oordeel van het hof dat de geuite woorden aangeefster [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk hebben bereikt.

Dit geldt naar het oordeel van het hof - in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft aangenomen - eveneens voor de ten laste gelegde woorden: "zodra ik vrij kom, neem ik wraak op haar of iemand die haar dierbaar is", althans woorden van gelijke aard of strekking", nu uit de aangifte volgt dat [getuige 1] aangeefster meegedeeld heeft dat verdachte heeft gezegd dat hij een van haar kinderen zou pakken en daarmee voor de trein zou springen en dat aangeefster dientengevolge iets moet missen wat hij nu ook mist.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte geuite woorden in onderling verband en in samenhang bezien als bedreigend zijn aan te merken. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft deze woorden als zodanig ervaren, zo blijkt uit haar aangifte. Aangeefster heeft uit angst haar woning op 7 december 2007 verlaten.

Het hof acht de stellingname van de raadsman, inhoudende dat verdachte de woorden heeft geuit als een eenmalige schreeuw om hulp, onaannemelijk nu verdachte al eerder, gedurende de gesprekken met [getuige 1] in de Marwei, bedreigende uitlatingen heeft gedaan jegens aangeefster alsmede uitdrukkelijk ten overstaan van het hof heeft verklaard dat zijn woede op 7 december 2007 specifiek gericht was tegen aangeefster omdat hij in zijn visie door haar zijn kinderen, huis en geld was kwijtgeraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij gefrustreerd was, in paniek verkeerde en geen uitweg meer wist en tegen die achtergrond de bedreigende woorden heeft geuit.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte wel degelijk de opzet had om [slachtoffer 1] te bedreigen. Van een schreeuw om hulp is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2007 tot en met 7 december 2007 in Nederland, meermalen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk in genoemde periode

- [getuige 1] (die veel contact met verdachte had) dreigend de woorden toegevoegd: "zodra ik vrij kom, neem ik wraak op haar of op iemand die haar dierbaar is" en die [getuige 1] telefonisch benaderd en dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ben naar haar onderweg" en vervolgens tegen die [getuige 1] gezegd dat hij [slachtoffer 1] moest waarschuwen en die [getuige 1] een SMS-bericht gestuurd met de tekst:

"Bedankt voor alles wat jullie voor mij hebben gedaan. ik hoop dat jullie mij ook begrijpen, maar ik moet iets doen om wraak te kunnen uiten. Sorry dat ik jullie heb teleurgesteld. Nu het zover is, weet zij nu ook wat het is om iemand te verliezen. Nogmaals sorry.",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, welke woorden bestemd waren voor [slachtoffer 1], welke bedreiging door [getuige] en/of door diens vrouw [naam] in genoemde periode aan die [slachtoffer 1] ter kennis zijn gebracht;

2.

hij op 7 december 2007, te [plaats 3], in de gemeente [gemeente 3], toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden en door trekken aan het dienstwapen van voornoemde [verbalisant 1].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling, meermalen gepleegd;

2.

wederspannigheid.

Strafbaarheid

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte op 7 december 2007 dermate overspannen en geestelijk in de war was dat hij geen inzicht had in zijn handelen. In de visie van de raadsman dient verdachte derhalve met betrekking tot de ten laste gelegde feiten als volledig ontoerekeningsvatbaar te worden aangemerkt. De raadsman heeft het hof verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is een persoon niet strafbaar indien hij of zij een feit begaat dat hem of haar wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend.

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting van het hof is aannemelijk geworden dan wel gemaakt, dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een dergelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig was.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Ook voor het overige worden strafuitsluitingsgronden niet aanwezig geacht. Verdachte is derhalve strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 juni 2007 en 7 december 2007 schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn voormalige partner, [slachtoffer 1]. Door aldus te handelen heeft verdachte grote gevoelens van angst en onveiligheid bij haar teweeg gebracht. Uit vrees voor verdachte heeft zij op 7 december 2007 haar woning verlaten en (tijdelijk) elders onderkomen moeten zoeken.

Voorts heeft verdachte zich op 7 december 2007 schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld te verzetten toen hij door twee politieambtenaren werd aangehouden ter zake genoemde bedreiging. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens deze politieambtenaren.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 december 2010 waaruit - ten nadele van verdachte - blijkt dat hij meermalen ter zake strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof houdt bij de strafoplegging eveneens rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting van het hof door de verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht en uit de door de raadsman overgelegde stukken van de werkgever en partner blijken. Er lijkt sprake te zijn van een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte. Verdachte heeft inmiddels werk, beschikt over een inkomen, heeft een nieuwe relatie en is sinds de onderhavige feiten niet meer opnieuw voor strafbare feiten veroordeeld.

Het hof ziet, gelet op de hiervoor beschreven positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte en om verdachte de kans te bieden de door hem ingeslagen weg voort te zetten, thans aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf - zoals door de rechtbank is opgelegd - te volstaan met de oplegging van een werkstraf.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden, nu tussen het instellen van hoger beroep op 17 september 2008 en de uitspraak van het hof, te weten 15 maart 2011, meer dan twee jaren zijn verstreken. In deze periode hebben zich geen bijzondere omstandigheden voorgedaan die een dergelijk tijdsverloop rechtvaardigen.

Gelet op de geconstateerde schending zal het hof in plaats van een werkstraf voor de duur van 120 uren die het hof voornemens was op te leggen, een werkstraf voor de duur van 110 uren opleggen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Leeuwarden d.d. 30 januari 2007 met parketnummer 17-880295-06 is verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 2 mei 2007. De proeftijd is op dezelfde datum ingegaan.

De officier van justitie heeft op 28 juli 2008 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijke gevangenisstraf omdat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft begaan vóór het einde van de proeftijd, zal het hof de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf gelasten. Gelet op de omstandigheid dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep en gelet op de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden, zal het hof, gelijk de advocaat-generaal heeft gevorderd, twee in plaats van vijf maanden gevangenisstraf ten uitvoer te gelasten en deze omzetten in een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 22c, 22d, 27, 57, 63, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtien uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenvijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van een gedeelte van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Leeuwarden van 30 januari 2007) een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo voorzitter,

mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.

Mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.