Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7508

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
24-000716-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding van een voorschrift krachtens art. 6 Wet Bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Het hof legt een geldboete van € 600,-- op, waarvan € 300,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000716-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-992282-09

Arrest van 11 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 1 maart 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats], [straat][adres],

ter terechtzitting vertegenwoordigd door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2], maten in de maatschap.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake van het ten laste gelegde tot een geldboete van € 600,--, waarvan € 300,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

verdachte op of omstreeks 22 april 2009 en/of 8 mei 2009, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 februari 2009 tot en met 25 mei 2009, te [plaats], in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, grond heeft toegepast in strijd met (de) artikel(en) 38 en/of 42 van het Besluit bodemkwaliteit, immers heeft de verdachte toen aldaar

- als degene die voornemens was grond toe te passen (aan of nabij de [straat]), niet overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers, als bedoeld in artikel 1 van genoemd besluit, bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond heeft vastgesteld of vast laten stellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63 van genoemd besluit en/of

- als degene die voornemens was grond toe te passen (aan of nabij de [straat]) als bedoeld in artikel 35 onderdeel B van genoemd besluit, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van te voren aan Onze Minister, als bedoeld in artikel 1 van genoemd besluit, heeft gemeld.

Het hof beschouwt "[straat]" als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als "[straat]". Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Bespreking gevoerd verweer met betrekking tot het ten laste gelegde

Ter terechtzitting van het hof is door de vertegenwoordigers van verdachte gesteld dat de gebruikte grond, te weten tarragrond van wortelen, vrijgesteld is in de zin van artikel 10.2, lid 2 van de Wet Milieubeheer. Ter onderbouwing van deze stelling is gewezen op de, in een ongedateerde brief van het Directoraat-Generaal Milieu aan de Commissie Aardappel- en Bietengrond, ter terechtzitting overgelegd aan het hof, genoemde Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Op grond van artikel 2, lid 1, onder h van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen gelden vrijstellingen in de zin van artikel 10.2, lid 2 van de Wet milieubeheer enkel ten aanzien van de soorten tarragrond aangewezen bij ministeriële regeling en in de daarbij aangegeven gevallen. Met ministeriële regeling wordt voornoemde Vrijstellingsregeling bedoeld, waarvan artikel 6 de soorten tarragrond aanwijst waarvoor de vrijstelling geldt.

Het hof stelt vast dat voornoemd artikel tarragrond van wortelen niet noemt en dat deze soort derhalve niet onder de vrijstelling valt. Gelet op het voorgaande dient het verweer verworpen te worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

verdachte in de periode van 12 februari 2009 tot en met 25 mei 2009, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk, grond heeft toegepast in strijd met de artikelen 38 en 42 van het Besluit bodemkwaliteit, immers heeft de verdachte toen aldaar

- als degene die voornemens was grond toe te passen (aan of nabij de [straat]), niet overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers, als bedoeld in artikel 1 van genoemd besluit, bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond heeft vastgesteld of vast laten stellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63 van genoemd besluit en

- als degene die voornemens was grond toe te passen (aan of nabij de [straat]) als bedoeld in artikel 35 onderdeel B van genoemd besluit, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van te voren aan Onze Minister, als bedoeld in artikel 1 van genoemd besluit, heeft gemeld.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift krachtens artikel 6 van de Wet Bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft bewust in strijd met de wettelijke voorschriften gehandeld door tarragrond van wortelen toe te passen zonder het vereiste grondonderzoek verricht te hebben en zonder melding van het voornemen van de toepassing te hebben gedaan. Door zo te handelen heeft verdachte de doelen die met de wettelijke normen worden nagestreefd genegeerd. Door geen onderzoek te laten verrichten heeft verdachte economisch voordeel genoten.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen hetgeen uit het achteraf verrichte grondonderzoek gebleken is. Voornoemd onderzoek is uitgevoerd door Ingenieursbureau ENVISO en heeft, blijkens de brief van 28 oktober 2009, als resultaat gehad dat de betreffende grond in orde was en derhalve toegepast kon worden.

Verdachte is, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 4 februari 2011, in het verleden eerder veroordeeld ter zake van een milieudelict.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Het hof zal verdachte derhalve veroordelen overeenkomstig die eis.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 37, 38 en 42 van de Besluit bodemkwaliteit, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van zeshonderd euro;

beveelt, dat een gedeelte van de geldboete, groot driehonderd euro, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. J.A.A.M. van Veen, in tegenwoordigheid van K.J. Reinke als griffier.