Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7456

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
200.040.183/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst bij ontslag. Beroep op dwaling en bedrog faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0181

Uitspraak

Arrest d.d. 15 februari 2011

Zaaknummer 200.040.183/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. D.J. Kap, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 20 juli 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Naar aanleiding van het tussenarrest heeft op 19 oktober 2010 een comparitie van partijen plaatsgehad, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Vervolgens heeft eerst [geïntimeerde] (onder overlegging van producties) en daarna [appellante] een akte genomen. Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft in het arrest van 20 juli 2010 kort gezegd geoordeeld dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld, tenzij zij aannemelijk kan maken dat de vennootschap goede grond had om niet tot betaling over te gaan. Dit kan het geval zijn indien de overeenkomst uit hoofde waarvan betaald diende te worden aan vernietiging bloot staat. Omdat het hof uit de stellingen van [appellante] heeft afgeleid dat zij zich op het standpunt stelt dat de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling dan wel bedrog, is een comparitie van partijen gelast om te beoordelen of een beroep door Declamed op vernietiging van die overeenkomst gerede kans van slagen zou hebben gehad. Naar aanleiding van het verhandelde ter comparitie oordeelt het hof als volgt.

2. Een beroep door Declamed op bedrog is niet onderbouwd. Ook tijdens en na de comparitie zijn daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.

3. Het beroep op dwaling begrijpt het hof aldus, dat volgens [appellante]

(i) [geïntimeerde] al voorafgaande aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bezig was met acquisitie voor zijn eigen bedrijf;

(ii) [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat Declamed daarvan niet op de hoogte was;

(iii) hij Declamed daarover had behoren in te lichten en

(iv) de vaststellingsovereenkomst met Declamed bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, althans niet onder deze voorwaarden.

Dit verweer houdt om de navolgende redenen evenmin stand.

4. Declamed heeft [geïntimeerde] op 1 oktober 2002 ontslag aangezegd zonder over een ontslagvergunning te beschikken. Vanaf die datum (volgens [geïntimeerde] zelfs al eerder) is Declamed opgehouden aan [geïntimeerde] salaris te betalen. [geïntimeerde] heeft zich genoodzaakt gezien met behulp van de FNV een procedure bij de kantonrechter aanhangig te maken. Die procedure heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst, waarbij Declamed zich verplichtte tot betaling van € 11.500,= aan achterstallig salaris 'e.a.'. De arbeidsovereenkomst is per 1 januari 2003 ontbonden.

5. Volgens [appellante] kan uit de toevoeging 'e.a.' in de overeenkomst worden afgeleid dat sprake is van een netto vergoeding die de salarisaanspraak van [geïntimeerde] overstijgt. Het hof kan [appellante] daarin niet volgen. Vast staat immers dat Declamed tot aan de ontbinding (vanaf 1 oktober 2002) in ieder geval drie maandsalarissen verschuldigd was. Volgens [appellante] resulteerde dat in een netto vordering van € 4.660,= . De FNV stelde zich op het standpunt dat per 1 oktober 2002 bovendien een salarisachterstand bestond van € 12.378,76 bruto, het salaris van september 2002 inbegrepen. Een en ander resulteerde volgens [geïntimeerde] in een netto aanspraak van € 12.615,31. Dat bedrag overstijgt het tussen partijen overeengekomen bedrag met circa € 1.000,=, en is nagenoeg gelijk aan de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsverplichting indien juist zou zijn dat [geïntimeerde] nog een netto betaling heeft erkend van € 1.000,= , zoals [appellante] aanvoert (BNC Bouw).

6. Het hof kan [appellante] niet volgen waar zij suggereert dat [geïntimeerde] instemde met een bruto totaal van € 9.278,= (het door de FNV berekende achterstallige loon per 1 september 2002) in plaats van € 12.378,76 (het saldo per 1 oktober 2002). [geïntimeerde] stelt zich immers op het standpunt dat hij al vanaf 20 augustus 2002 geen loon meer heeft ontvangen. Overigens betoogt [appellante] in haar akte van 16 november 2010 onder 8 en 9 zelf dat Declamed (slechts) tot 1 september 2002 aan haar betalingsverplichtingen had voldaan.

7. Met de vaststellingsovereenkomst heeft [geïntimeerde] dus niet meer gekregen dan de loonaanspraken waar hij zich op beroept. Dat de discussie over de vaststellingsovereenkomst op meer betrekking had dan alleen de hoogte van het achterstallige loon en de datum waarop de loonbetalingsverplichting door ontbinding zou eindigen, is verder niet (gemotiveerd) gesteld of gebleken. Op geen enkele wijze blijkt dat [geïntimeerde] een ontbindingsvergoeding in zijn berekeningen heeft willen betrekken, laat staan dat hij daarover met Declamed heeft onderhandeld. [appellante] suggereert zelf het tegendeel onder 18 van de akte van 16 november 2010. Daar voert zij aan dat over die beëindiging en over de salarisaanspraak een dispuut bestond, en dat die elementen bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst hebben meegewogen.

8. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [geïntimeerde] en Declamed door de vaststellingsovereenkomst uitsluitend een einde hebben willen maken aan de discussie over het achterstallige loon. Niet is gesteld of gebleken dat de activiteiten die [geïntimeerde] worden verweten op zichzelf aan die loonaanspraken hebben kunnen afdoen. Ook voor het overige heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat, waarom en in hoeverre Declamed met het overeengekomen bedrag niet zou hebben ingestemd indien Declamed indertijd op de hoogte was geweest van de omstandigheid dat [geïntimeerde] tijdens zijn dienstverband al voor zijn nieuwe bedrijf werkzaam was.

9. Anders dan het hof in het tussenarrest van 20 juli 2010 in rechtsoverweging 9 nog als zijn voorlopig oordeel heeft uitgesproken, is met het voorgaande niet langer van belang of Van de Straten bij de onderhandelingen aanleiding had moeten zien om zijn voornemen ten aanzien van het opzetten van een eigen bedrijf te melden.

10. Gelet op al het voorgaande, en gelet voorts op het feit dat in geval van een vaststellingsovereenkomst in beginsel geen beroep op dwaling mogelijk is ter zake van hetgeen waarover werd getwist en onzekerheid bestond, moet de conclusie luiden dat geen redelijk denkend en redelijk handelend bestuurder in de positie van [appellante] onder de gegeven omstandigheden op grond van een veronderstelde dwaling zou hebben besloten de vaststellingsovereenkomst niet na te komen. Dat betekent dat zich de in rechtsoverweging 4 van het arrest van 20 juli 2010 bedoelde situatie niet voordoet, en dat sprake is van onrechtmatige betalingsonwil als bedoeld in die rechtsoverweging.

11. Een en ander brengt het hof bij de boordeling van grief III, waarin [appellante] opkomt tegen de veroordeling tot betaling van wettelijke rente vanaf 17 december 2002. Het hof oordeelt als volgt.

12. Aangezien Declamed op grond van de vaststellingsovereenkomst met ingang van 17 december 2002 niets aan [geïntimeerde] verschuldigd was, kan de wettelijke rente niet vanaf die datum worden toegewezen. Nu [geïntimeerde] zijn rentevordering na de wijziging van de grondslag van zijn eis niet nader heeft onderbouwd, zal de rentevordering worden toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding.

13. Aan het bewijsaanbod van [appellante] wordt als niet ter zake doende voorbij gegaan.

De slotsom.

14. Het vonnis van 11 april 2007 zal worden vernietigd voor zover daarin de rentevordering is toegewezen vanaf 17 december 2002. Om praktische redenen zal daartoe het dictum van dat vonnis onder 3.2 worden vernietigd. De vonnissen waarvan beroep zullen met verbetering van gronden voor het overige worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellante] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tariefgroep II, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 11 april 2007 voor zover dat onder 3.2 is gewezen en opnieuw rechtdoende:

3.2. bepaalt dat het dictum onder 5.1 van het op 7 maart 2007 wordt gewijzigd als volgt.

"veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 11.500,= netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening";

bekrachtigt de vonnissen van 7 maart 2007 en 11 april 2007 voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 405,= aan verschotten en € 2.682,= aan salaris voor de advocaat;

verklaart deze uitspraak ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, L. Janse en

G. van Rijssen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 februari 2011.