Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7342

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
24-001319-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is mishandeling. Bewijsoverweging en verwerping van het beroep op zelfverdediging. Betreft eerste veroordeling, conform de hoogte van de aangeboden transactie: een geldboete van € 350,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001319-10;

parketnummer eerste aanleg: 19-605706-09

Arrest van 10 maart 2011 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van

15 februari 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 350,-.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 21 juni 2009, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (tegen het hoofd/gezicht) heeft geslagen/gestompt, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan hetgeen aan hem is ten laste gelegd. Meer in het bijzonder heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij [slachtoffer] tegenkwam op straat en dat tussen hen een ruzie ontstond, waarbij de verdachte een klap kreeg. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij tijdens die ruzie met [slachtoffer] enkel heeft gezwaaid met zijn handen, waarbij hij die [slachtoffer] niet hoeft te hebben geraakt. Vervolgens heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij die [slachtoffer] daarbij waarschijnlijk heeft geraakt. Tenslotte heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij die [slachtoffer] daarbij heeft geraakt, maar dat hij niet de opzet had die [slachtoffer] te mishandelen, maar dat hij zich uitsluitend wilde verdedigen tegen die [slachtoffer].

Het hof acht deze lezing van de feiten van de verdachte niet geloofwaardig en grondt dit op het volgende.

Aangever [slachtoffer] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2009 onder meer bij de politie verklaard dat een man (het hof begrijpt: [verdachte]) hem ineens meerdere keren heeft geslagen en dat hij die man (vervolgens) heeft teruggeslagen om zichzelf te verdedigen.

De getuige [getuige], de broer van aangever [slachtoffer], heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor van 14 juli 2009 onder meer bij de politie verklaard dat een man (het hof begrijpt: [verdachte]) zijn broer ineens meerdere keren heeft geslagen en dat zijn broer die man (vervolgens) heeft teruggeslagen om zichzelf te verdedigen.

Het hof heeft geen enkele aanwijzing bekomen op grond waarvan de verklaringen van de aangever [slachtoffer] en de getuige [getuige] als niet accuraat, niet betrouwbaar, dan wel ongeloofwaardig kunnen worden bestempeld.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, zoals hieronder nader aangegeven in de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 juni 2009 te [plaats] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

De verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Met betrekking tot dit beroep op noodweer heeft de verdachte aangevoerd dat hij werd geslagen door [slachtoffer] en dat hij vervolgens, in een verdedigende reactie daarop, zwaaiende bewegingen met zijn armen heeft gemaakt, waarbij hij die [slachtoffer] heeft geraakt.

Echter, gelet op hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld in de overweging omtrent het bewijs, is het niet de verdachte geweest aan wie als eerste een klap is toegediend (door die [slachtoffer]), maar is het de verdachte geweest die als eerste een klap heeft uitgedeeld (aan die [slachtoffer]).

Onder deze omstandigheden komt aan de verdachte geen beroep op noodweer toe, nu van een noodweersituatie geen sprake is geweest. Het hof verwerpt op grond hiervan het beroep op noodweer.

Het hof acht de verdachte derhalve strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder ditt feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer].

De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer] en heeft hem pijn en letsel toegebracht. Het hof hanteert ter zake van een dergelijk delict een oriëntatiepunt voor straftoemeting dat in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf impliceert.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 december 2010 blijkt - ten voordele van de verdachte - dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit, zij het dat hij op 25 mei 2005 een transactie heeft voldaan ter zake van het plegen van mishandeling.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit oogpunt van normhandhaving, alsmede ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete - ter hoogte van het eerder aan de verdachte aangeboden transactiebedrag ter zake van dit delict - in het geval van de verdachte recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.