Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7334

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
200.022.080/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslagprocedure. Valse reden? Schoonmaakster wil niet naar andere locatie en wordt om die reden ontslagen. Hof acht ontslag wegens werkweigering terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0182
Prg. 2011/119

Uitspraak

Arrest d.d. 1 februari 2011

Zaaknummer 200.022.080/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. B.P.C. de Jong, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

ISS Nederland B.V., mede h.o.d.n. ISS Cleaning Services,

gevestigd te Utrecht, mede kantoorhoudende te Zwolle,

geïntimeerde,

In eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: ISS,

advocaat: mr. A.H. Lanting, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 13 augustus 2008 en op 8 oktober 2008 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, verder aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 23 december 2008 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 8 oktober 2008 met dagvaarding van ISS tegen de zitting van 13 januari 2009.

Het petitum van deze appeldagvaarding luidt als volgt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis op 8 oktober 2008 door de Rechtbank, sector kanton, locatie Sneek te Leeuwarden tussen partijen onder rolnummer 250161 / CV EXPL 08-993 (productie 1) gewezen vernietigt, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante alsnog toewijst, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, met veroordeling van geïntimeerde tot terugbetaling van de reeds door appellante voldane proceskosten in eerste instantie ad € 286,44."

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties in het geding zijn gebracht, luidt:

"bij arrest, voor zoveel wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden:

I het bestreden vonnis van de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek vernietigt en opnieuw rechtdoende:

1. voor recht verklaart dat ISS de arbeidsovereenkomst tussen haar en [appellante] heeft opgezegd onder opgave van een valse reden, althans voor recht te verklaren dat ISS de arbeidsovereenkomst met [appellante] kennelijk onredelijk heeft opgezegd;

2. ISS te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen het bedrag groot € 10.000,00 (zegge: tien duizend euro) ten titel van billijke schadeloosstelling, te vermeerderen met de wettelijke rente van 14 maart 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding; II met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door ISS verweer gevoerd, eveneens onder overlegging van producties, met als conclusie:

"het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, Sector Kanton, Locatie Sneek van 8 oktober 2008 bekrachtigt, zonodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3, zijn geen grieven voorgedragen. Het hof zal dan ook van die feiten uitgaan, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand kunnen worden aangemerkt. Het hof zal deze feiten hierna uiteenzetten.

1.1. [appellante] is op 20 januari 2003 bij ISS in dienst getreden in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud, aanvankelijk voor 11,25 uur per week, later feitelijk uitgebreid tot 13 uur per week. [appellante] was werkzaam in de regio Sneek, laatstelijk tegen een salaris van € 505,66 bruto per maand.

1.2. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing.

1.3. [appellante] was tewerkgesteld op het project "De Nieuwe Hoven" te Sneek van de opdrachtgever Timpaangroep.

1.4. De officemanager van de Timpaangroep heeft zich op 4 oktober 2007 per mail bij ISS beklaagd over de schoonmaak van De Nieuwe Hoven. Zij schreef:

" ... de dame die er eerst was is nu weer aan het werk op De Nieuwe Hoven en de problematiek is niet opgelost. Hier zou ik graag actie op willen zien. De regiomanager wil ten eerste dat er nu iemand wordt ingezet om alle deuren, tegels enz grondig schoon te maken en daarnaast dat er dagelijks goed toiletten worden gereinigd. Het liefst met een nieuwe schoonmaakster, omdat deze dame die er nu zit niet naar behoren functioneerd. Ook gezien de problemen in het verleden lijkt het mij verstandig om daar iemand anders op in te zetten. Ze willen het een maand aanzien en anders zegt men daar het contract op"

1.5. De leidinggevende van [appellante], [naam leidinggevende], heeft [appellante] met deze klacht geconfronteerd op 8 oktober 2007. [appellante] heeft zich daarna ziek gemeld vanwege een arbeidsconflict op 9 oktober 2007. ISS heeft deze ziekmelding niet geaccepteerd en heeft [appellante] bij brief van 16 oktober 2007 opgeroepen voor een gesprek in Zwolle op 22 oktober 2007.

1.6. Tijdens dat gesprek op 22 oktober 2007 heeft ISS [appellante] schoonmaakwerkzaamheden op een ander project in Sneek aangeboden. [appellante] heeft dit project van de hand gewezen, omdat zij daar nog steeds met haar leidinggevende - met wie zij een conflict had - zou worden geconfronteerd. Vervolgens heeft ISS [appellante] schoonmaakwerk voor 10 uur per week op een project in Leeuwarden aangeboden, aangevuld met 3 uur schoonmaakwerk in Sneek. [appellante] heeft het werk in Leeuwarden niet geaccepteerd omdat zij geen reiskostenvergoeding ontving.

1.7. ISS heeft bij brief van 23 oktober 2007 [appellante] gesommeerd haar werkzaamheden te Leeuwarden te verrichten en gedreigd met ontslag.

1.8. Toen [appellante] aan die sommatie geen gehoor gaf heeft ISS haar nogmaals gesommeerd bij brieven van 25 oktober 2007, 30 oktober 2007 en 5 november 2007 en daarbij aangekondigd geen loon te betalen over de niet gewerkte uren. Nadat [appellante] zich van rechtsbijstand heeft voorzien heeft ISS aan haar advocaat laten weten dat [appellante] een laatste kans had om zich op 14 november 2007 te Leeuwarden te melden.

1.9. Nadat [appellante] niet op het werk in Leeuwarden was verschenen heeft ISS op 16 november 2007 een ontslagprocedure bij het CWI geëntameerd waarbij zij toestemming heeft verzocht om [appellante] te ontslaan wegens ongeoorloofde afwezigheid. Na een procedure met verweer heeft het CWI op 24 januari 2008 aan ISS de gevraagde toestemming verleend, waarna ISS op 25 januari 2008 de arbeidsovereenkomst met [appellante] tegen 3 maart 2008 heeft beëindigd.

Samenvatting van het geschil en de beslissing in eerste aanleg.

2. [appellante] heeft aangevoerd dat het haar verleende ontslag kennelijk onredelijk is, omdat sprake zou zijn van een valse ontslagreden. Volgens haar was de opdracht om in Leeuwarden te werken geen haar passend werk en mocht zij daaraan voorbijgaan. Zij heeft een schadevergoeding van € 10.000,-- gevorderd.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat ISS op goede gronden heeft kunnen beslissen om [appellante] van het project De Nieuwe Hoven te halen en dat het aan [appellante] aangeboden werk in Leeuwarden als passend werk moet worden aangemerkt dat zij niet zonder meer heeft mogen weigeren. Van een ontslag wegens een valse reden is volgens de kantonrechter dan ook geen sprake geweest.

De beoordeling van de grieven

3. In de eerste grief vecht [appellante] het oordeel van de kantonrechter aan dat het haar in Leeuwarden aanboden werk als een redelijk aanbod moet worden aangemerkt. Volgens [appellante] had van ISS mogen worden verwacht dat zij zich meer had ingespannen om de werkplek van [appellante] bij De Nieuwe Hoven te behouden en bestond er geen noodzaak voor ISS om haar van dat project te halen, aangezien de opdrachtgever had aangegeven het nog wel een maand aan te willen zien.

4. Het hof deelt deze opvatting van [appellante] niet. [appellante] was in dienst van ISS, een schoonmaakbedrijf dat schoonmaakwerkzaamheden verricht voor opdrachtgevers. Dat wensen van opdrachtgevers tot wijziging van de feitelijke plaats van tewerkstelling kon leiden, kon althans bij [appellante] bekend zijn, omdat dit met zoveel woorden in artikel 5 van de toepasselijke CAO was verwoord en nadrukkelijk is herhaald in artikel 6 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, dat als volgt luidt:

"Werknemer en werkgever komen nadrukkelijk overeen dat tijdens de duur van deze overeenkomst door werkgever, binnen de in de artikelen 4 en 5 van de CAO aangegeven grenzen, eenzijdig wijzigingen in de arbeidsovereenkomst kunnen worden doorgevoerd, onder meer met betrekking tot werkduur, werktijden en locatie".

De e-mail van 4 oktober 2007, hiervoor geciteerd onder 1.4, is duidelijk: de opdrachtgeefster voor het project De Nieuwe Hoven dringt aan op een andere schoonmaakkracht en op verdere verbeteringen. Zij dreigt met opzegging van het contract maar wil een en ander nog een maand aanzien. Daarin valt niet te lezen dat Timpaangroep het nog een maand met [appellante] als feitelijke schoonmaakster wil aanzien, doch het nog een maand met ISS wil aanzien.

Dat ISS, die heeft gesteld zich van de ernst van de klachten van Timpaangroep en de bij deze opdrachtgeefster levende bezwaren tegen de persoon van [appellante] nog nader te hebben vergewist, onder deze omstandigheden ervoor heeft gekozen [appellante] op een ander project te werk te stellen dan De Nieuwe Hoven, valt alleszins te billijken. Het hof deelt dan ook het oordeel van de kantonrechter dat ISS op goede gronden kon besluiten [appellante] van het project De Nieuwe Hoven af te halen.

5. Vast staat voorts dat ISS vervolgens [appellante] ander schoonmaakwerk in Sneek heeft aangeboden (locatie Bogerman II) hetgeen zij heeft geweigerd omdat zij vond dat zij niet meer met de leidinggevenden in Sneek kon werken, althans niet voordat het conflict met mevrouw [naam leidinggevende] zou zijn uitgepraat. Weliswaar heeft [appellante] in de procedure ook aangevoerd dat de schoonmaaktijden voor het project Bogerman II haar niet pasten vanwege de zorg voor haar kinderen, doch zij heeft dit bezwaar onvoldoende geconcretiseerd en geen vergelijking gemaakt met de werktijden die zij had bij het project De Nieuwe Hoven. Het hof wijst voorts op artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, zoals hiervoor aangehaald.

6. Door deze opstelling van [appellante] vielen alle andere projecten in Sneek buiten haar bereik. ISS heeft haar vervolgens werk opgedragen buiten Sneek, op ongeveer een half uur reistijd (binnen de CAO-grens van 45 minuten enkele reis). Hoewel deze reistijd - waar geen vergoeding tegenoverstond, evenmin als voor de directe reiskosten - het werk voor [appellante] minder aantrekkelijk maakte dan haar vorige feitelijke werkplek, kan dit niet als een onredelijke opdracht worden aangemerkt, waarbij meeweegt dat [appellante] zelf blokkades heeft opgeworpen ten aanzien van het werken met haar leidinggevenden [naam leidinggevende ] en [naam leidinggevende], hoewel zij met geen van beiden dagelijks te maken had.

Voor zover [appellante] al gevolgd moet worden in haar redenering dat het op de weg van ISS had gelegen om een gesprek tussen [naam leidinggevende] en [appellante] te arrangeren teneinde de lucht te klaren, blijkt uit de stellingen van [appellante] niet dat zulks tot een andere oplossing had kunnen leiden. [appellante] heeft niet gesteld dat, indien de verstandhouding met [naam leidinggevende] genormaliseerd zou zijn, zij wel bereid zou zijn op het project Bogerman II te gaan werken. Ook heeft zij niet aangegeven dat zij dan wel op een ander project in Sneek met voldoende uren tewerk gesteld zou kunnen worden. Voor zover zij meende dat zij na een dergelijk gesprek weer op het project De Nieuwe Hoven tewerkgesteld te kunnen worden, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 4 is opgemerkt.

7. De grief faalt.

8. In haar tweede grief betoogt [appellante] dat zij zich niet aan werkweigering schuldig heeft gemaakt, omdat ISS geen zwaarwegende grond zou hebben gehad om haar in Leeuwarden tewerk te stellen.

Deze grief faalt omdat het hof, gelet op het bovenstaande, van oordeel is dat de aanwijzing van het werk te Leeuwarden als redelijk kan worden aangemerkt. Hoewel op zich de wens van [appellante] om een gesprek te hebben met [naam leidinggevende] teneinde de lucht te klaren op zich niet onredelijk is, was het niet aan [appellante] dit als voorwaarde te stellen alvorens weer aan het werk te gaan. Op het project in Leeuwarden zou zij niets met [naam leidinggevende] van doen hebben. [appellante] wist na de diverse brieven van ISS zeer goed wat er op het spel stond en heeft er bewust voor gekozen niet op het werk in Leeuwarden te verschijnen, hetgeen als werkweigering gekwalificeerd moet worden. Van een valse ontslaggrond is dan ook geen sprake.

9. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante] tot het horen van getuigen, onder wie haar partner en haarzelf, omtrent haar lezing van het gesprek van 22 oktober 2007, als niet relevant. Hoewel [appellante], die nog op een terugkeer naar het project De Nieuwe Hoven hoopte, de opstelling van ISS - die dat nu juist uitsloot - als een fait accompli heeft kunnen ervaren, kan dat geenszins gelden als een rechtvaardiging voor haar werkweigering.

De slotsom.

10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, voor wat het geliquideerde salaris van de advocaat betreft te begroten op 1 punt naar tarief II.

De vordering van [appellante], vervat in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, ISS te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag ad € 286,44 ter zake van reeds voldane proceskosten, zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af de vordering van [appellante] ISS te veroordelen tot terugbetaling van € 286,44;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van ISS tot aan deze uitspraak op € 254,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, R.A. Zuidema en M.E.L. Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 februari 2011.