Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7313

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
200.064.622/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer maakt na einde dienstverband aanspraak op vergoeding niet genoten vakantiedagen. Werkgever heeft de - onderbouwde - stellingen van de werknemer onvoldoende weersproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 januari 2011

Zaaknummer 200.064.622/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.L. Souman, kantoorhoudende te Epe,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.d.M. Brandsma, kantoorhoudende te Heerenveen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 26 januari 2009 en 27 januari 2010 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen, hierna: de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 9 april 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 27 januari 2010 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 11 mei 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het het gerechtshof behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen, van 27 januari 2010 (kenmerk 284693 CV EXPl 09-3124) en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"1) te bekrachtigen het vonnis, waarvan beroep.

2) appellant te veroordelen in de kosten van beide instanties"

Ten slotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1.1. Tegen de weergave van de feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.4 van genoemd vonnis van 27 januari 2010 is geen grief ontwikkeld zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof zal hierna die feiten herhalen, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.

1.2. [geïntimeerde] is met ingang van 1 mei 2006 in de functie van verkoopmedewerker bij [appellant] in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Artikel 3 van deze overeenkomst luidt:

' Op deze overeenkomst is van toepassing de thans geldende CAO voor het klein metaal, echter uitsluitend indien partijen werkgever respectievelijk werknemer in de zin van deze CAO zijn en blijven."

In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:

`De werknemer verplicht zich in voorkomende gevallen alle door of namens werkgever in redelijkheid op te dragen werkzaamheden te verrichten gedurende 38 uur per week.

De werktijden van de werknemer kunnen bij het begin van deze overeenkomst plaatsvinden in principe op elke werkdag tussen 07.00 uur en 18.00 uur. De uren daarboven worden in overleg verrekend in tijd voor tijd of loon. Uitbreiding van het aantal basis-uren zal in goed overleg tussen werkgever en werknemer tot stand kunnen komen en schriftelijk worden vastgelegd.`

1.3. [geïntimeerde] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 26 maart 2008 met inachtneming van de geldende opzegtermijn tegen 1 mei 2008 opgezegd waarbij [geïntimeerde] heeft aangegeven tot 1 mei 2008 vakantie-, ATV- en overuren op te nemen. [appellant] heeft bij brief van 8 april 2008 daarmee ingestemd en meegedeeld dat eventueel nog resterende verlofuren en opgebouwde vakantietoeslag na 1 mei 2008 aan [geïntimeerde] zouden worden betaald. [geïntimeerde] heeft met ingang van 27 maart 2008 feitelijk geen werkzaamheden meer voor [appellant] verricht.

1.4. Uit de specificatie van de eindafrekening, gedateerd 17 april 2008, blijkt dat in het door [appellant] aan [geïntimeerde] betaalde nettobedrag is begrepen een betaling van € 5.106,41 (bruto), vermeld onder het kopje "uitbetaling uren". [werkneemster van appellant], werkzaam bij [appellant] en hierna: [werkneemster van appellant], heeft de eindafrekening opgemaakt en voor de betaling zorg gedragen.

1.5. Ten tijde van de ontslagname door [geïntimeerde] was de sfeer in de onderneming van [appellant] slecht. Met [geïntimeerde] zijn nog een aantal medewerkers vertrokken.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2.1. [appellant] heeft gevorderd [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 6.356,41 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 november 2008 althans de dag van dagvaarding en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat er ten onrechte een bedrag van € 5.106,41 aan [geïntimeerde] is betaald. Uit de administratie van [appellant] blijkt namelijk niet dat er nog overuren en vakantie-uren aan [geïntimeerde] moesten worden betaald. Volgens [appellant] heeft [werkneemster van appellant] het bedrag bovendien eigenmachtig verloond. [appellant] heeft laatstgenoemd bedrag daarom als onverschuldigd betaald teruggevorderd. [appellant] maakte tevens aanspraak op een bedrag van € 1.250,00 aan incassokosten.

2.2. [geïntimeerde] heeft de vordering betwist.

2.3. Bij vonnis van 26 augustus 2009 is een persoonlijke verschijning van partijen gelast. Deze heeft op 7 oktober 2009 plaats gevonden. De kantonrechter heeft bij vonnis van 27 januari 2010 de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de kosten van de procedure veroordeeld.

Met betrekking tot de grieven

3.1. [appellant] heeft in grief 1 aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij ([appellant]) de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte berekening onvoldoende heeft betwist. Nu het om een eenmanszaak gaat, heeft volgens [appellant] als uitgangspunt te gelden dat alleen hij bevoegd is het bedrijf te binden. [geïntimeerde] heeft erkend dat de sfeer slecht was en dat [appellant] niet bij de financiële afhandeling was betrokken. [geïntimeerde] heeft verder nog gesteld dat [appellant] aan [financieel adviseur van appellant] opdracht had gegeven de afwikkeling ter hand te nemen. Nu [appellant] deze stelling heeft betwist, had aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht moeten worden verstrekt.

3.2. Het hof overweegt dat het drijven van een eenmanszaak betekent dat de eigenaar in persoon voor de bedrijfsvoering aansprakelijk is. Dit betekent echter niet dat deze ondernemer geen personeel zou kunnen aanstellen en/of werkzaamheden ten behoeve van de onderneming aan een derde zou kunnen opdragen. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] in aanwezigheid van [financieel adviseur van appellant], ten tijde van de ontslagname financieel adviseur van [appellant], heeft opgemerkt dat alles, waaronder ATV- en vakantiedagen, diende te worden afgerekend, dat de bedrijfseigendommen moesten worden ingeleverd en dat de heren (= [geïntimeerde] en zijn collega's) mochten vertrekken. [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat [financieel adviseur van appellant] aan [werkneemster van appellant] de voor het opmaken van de eindafrekening benodigde gegevens heeft verstrekt. Het hof is van oordeel dat waar zowel [financieel adviseur van appellant] als [werkneemster van appellant] voor [appellant] werkzaamheden verrichtten, het op de weg van [appellant] ligt om feiten en/of omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, dat [geïntimeerde] er redelijkerwijs niet op mocht vertrouwen dat [financieel adviseur van appellant] en [werkneemster van appellant] bij het opmaken van de eindafrekening en de dienovereenkomstige betaling binnen het kader van hun bevoegdheden handelden. [appellant] heeft dit echter nagelaten. De enkele stelling dat de sfeer in de onderneming ten tijde van de ontslagname verpest was, is daartoe onvoldoende.

Grief 1 faalt derhalve.

3.3. [appellant] heeft met grief 2 aan de orde gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] geen steekhoudende verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat de eindafrekening op zijn briefpapier is opgemaakt. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] zich in alle gevallen van de toestemming van [appellant] had dienen te vergewissen. Het enkele feit dat een eindafrekening op zijn briefpapier is opgemaakt, leidt niet tot de conclusie dat er terecht een bedrag is uitbetaald. [appellant] had in elk geval tot het bewijs van zijn stellingen moeten worden toegelaten.

3.4. Het hof overweegt dat de kantonrechter gelet op de door hem in rechtsoverweging 2.11. van het vonnis van 27 januari 2010 vermelde feiten en omstandigheden op goede gronden van belang heeft geacht dat er op briefpapier van [appellant] een berekening is opgesteld en ondertekend.

Aangaande het door [appellant] gedane aanbod te bewijzen dat [financieel adviseur van appellant] en [werkneemster van appellant] onbevoegd hebben gehandeld, wordt overwogen dat het er in dit geschil niet om gaat of [financieel adviseur van appellant] en/of [werkneemster van appellant] onbevoegd hebben gehandeld maar of [geïntimeerde] er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat [financieel adviseur van appellant] en/of [werkneemster van appellant] bij het opmaken van de eindafrekening en de dienovereenkomstige betaling aan [geïntimeerde] hebben gehandeld binnen het kader van hun bevoegdheden. Hiervoor is al overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om ervan te moeten uitgaan dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw is geweest. Voor zover [appellant] heeft aangeboden te bewijzen dat er van een samenzwering sprake is geweest, wordt overwogen dat [appellant] ook deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod zal daarom als niet ter zake doende worden gepasseerd.

Ook grief 2 faalt derhalve.

3.5. [appellant] heeft met grief 3 aan de orde gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de overuren op grond van de toepasselijke CAO dienden te worden uitbetaald. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de rechtsstrijd tussen partijen zich - voor wat betreft de overuren - heeft beperkt tot de vraag of partijen over de uitbetaling al dan niet overeenstemming hadden bereikt dan wel of daartoe door een derde namens [appellant] bevoegd was besloten. Van belang is verder dat [appellant] niet aan de CAO was gebonden. Bovendien is onduidelijk om welke CAO het gaat. [appellant] heeft voorts nog aangevoerd dat de gemaakte afspraak om overwerk in tijd te verrekenen, past binnen de arbeidsovereenkomst. De stelling van [geïntimeerde] dat de uren per definitie dienden te worden betaald, mist dus feitelijke grondslag.

3.6. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] in zijn akte van 16 december 2009 heeft verwezen naar hetgeen in de CAO over de betaling van de overuren is geregeld. Nu partijen zijn overeengekomen dat de "CAO voor het klein metaal" op de arbeidsovereenkomst van toepassing was, heeft het feit dat [appellant] op deze akte van [geïntimeerde] niet meer kunnen reageren niet tot gevolg dat de kantonrechter geen acht mocht slaan op hetgeen in de CAO over de betaling van overuren is bepaald. Omdat partijen de toepasselijkheid van de CAO zijn overeengekomen, is niet van belang of [appellant] wel of geen lid was van één van de bij de CAO betrokken partijen en is evenmin van belang of de CAO al dan niet algemeen verbindend is verklaard. [appellant] heeft weliswaar betwist dat hij het oog heeft gehad op de CAO die door [geïntimeerde] is geciteerd, maar hij heeft niet aangegeven welke CAO dan wel door hem is bedoeld. Dat had wel op zijn weg gelegen. Waar het tot de taak van [appellant] behoorde om in de arbeidsovereenkomst duidelijk te omschrijven welke CAO op de overeenkomst van toepassing was, moet een toepassing van de verkeerde CAO - indien al juist - aan [appellant] worden toegerekend.

3.7. Het hof overweegt omtrent de wijze waarop overwerkuren werden gecompenseerd, dat overeengekomen is dat dit zowel in loon als in vrije tijd mocht plaats vinden. [appellant] is als werkgever gehouden een deugdelijk administratie bij te houden van zowel de werktijden, waaronder in voorkomende gevallen het overwerk, als van de opgenomen vrije dagen. Bij de opgenomen vrije dagen moet bovendien worden aangetekend of het om een vakantie- dan wel een ATV- dag gaat of om compensatie voor overwerk. Waar [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij correct is uitbetaald, had het op de weg van [appellant] gelegen aannemelijk te maken dat er aan het einde van het dienstverband geen sprake was van nog niet-genoten vakantiedagen al dan niet met inbegrip van compensatiedagen voor verricht overwerk. [appellant] heeft slechts een algemeen overzicht van de door [geïntimeerde] opgenomen vakantiedagen in het geding gebracht maar nagelaten een voldoende gespecificeerd overzicht over te leggen. Daarmee heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan.

Ook grief 3 faalt.

De slotsom.

3.8. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep. Het geliquideerd salaris van de advocaat van [geïntimeerde] zal worden vastgesteld op 1 punt tariefgroep I.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 263,00 aan verschotten en € 632,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, R.A. Zuidema en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 25 januari 2011 in bijzijn van de griffier.