Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6249

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
24-001872-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak uitkeringsfraude; ontbreken opzet. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, gelet op de achtergrond waarmee medeverdachte zich in de woning van verdachte bevond, ook bewust is geweest van de noodzaak om hiervan melding te doen bij de uitkeringverstrekkende instantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001872-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-618025-09

Arrest van 1 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 20 juli 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair te vervangen door 90 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 december 2008, te [plaats], (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in strijd met een haar en/of haar mededader(s) bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten (artikel 65 van) de Algemene bijstandswet en/of (artikel 17 van) de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) opzettelijk - zakelijk weergegeven - voor (de afdeling of dienst Sociale Zaken van) de gemeente Leeuwarden verzwegen dat zij, verdachte, samenwoonde, althans een gezamenlijk huishouding voerde, met [medeverdachte], in elk geval

[medeverdachte] toen (telkens) zijn hoofdverblijf had op haar, verdachtes, (woon)adres de [adres] te [plaats].

Vrijspraak

Weliswaar kan aan de verklaring van verdachte, op 14 januari 2009 afgelegd tegenover de sociale recherche, en de verklaring van [medeverdachte], afgelegd ten overstaan van de sociale recherche op 13 januari 2009, het bewijs worden ontleend dat [medeverdachte] gedurende een deel van de ten laste gelegde periode zijn hoofdverblijf bij verdachte had en verdachte daarmee - gelet op artikel 3, vierde lid, van de Wet werk en bijstand - met [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerde, maar naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich, gelet op de achtergrond waarmee [medeverdachte] zich in de woning van verdachte bevond, ook bewust is geweest van de noodzaak om hiervan melding te doen bij de uitkeringverstrekkende instantie. Gelet hierop en rekening houdend met de/het beperkte taalvaardigheid en -begrip van zowel verdachte als [medeverdachte], kan niet worden bewezen dat verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten.

Gelet op het voorgaande acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van K.J. Reinke als griffier, zijnde mr. K. Lahuis voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.