Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6060

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
24-001892-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte wordt ter zake van medeplegen van afpersing veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. Verwerping psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001892-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-640102-10

Arrest van 25 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 23 juli 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.M. Rietveldt, advocaat te Hoogezand.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het onder

2 primair ten laste gelegde zal vrijspreken en ter zake het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot twee maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een werkstraf voor de duur van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen jeugddetentie.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Door de raadsman is ter terechtzitting van het hof betoogd, dat het openbaar ministerie niet ontvangen kan worden in de vervolging ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Immers, dit betreft hetzelfde feitencomplex als onder 1 ten laste gelegde. Een dergelijke wijze van ten laste leggen is niet geoorloofd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit de tenlastelegging blijkt dat het openbaar ministerie ten aanzien van het geld alleen het verwijt heeft willen formuleren dat sprake is van afpersing, terwijl het met betrekking tot de telefoon alternatief diefstal met geweld dan wel afpersing ter beoordeling heeft willen voorleggen. Het enkele feit dat een gebeurtenis uiteen valt in verschillende strafrechtelijke verwijten en dan ook op die wijze wordt ten laste gelegd is geoorloofd en leidt geenszins tot de conclusie dat het openbaar ministerie in de vervolging of een deel daarvan niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op 18 december 2009, op of nabij de [straat], althans op of nabij een openbare weg, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders

- met die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] per telefoon een ontmoeting heeft afgesproken en/of

- naar en/of in de richting van die afgesproken plek is gegaan, voorzien van een bivakmuts en/of capuchon en/of

- een mes zichtbaar heeft vastgehouden en/of in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij al hun geld en waardevolle spullen moesten afgeven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze nog meer bij zich hadden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gefouilleerd (op waardevolle spullen);

2.

hij op 18 december 2009, op of nabij de [straat], althans op of aan de openbare weg, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders

- met die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] per telefoon een ontmoeting heeft afgesproken en/of

- naar en/of in de richting van die afgesproken plek is gegaan, voorzien van een bivakmuts en/of capuchon en/of

- een mes zichtbaar heeft vastgehouden en/of in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij al hun geld en waardevolle spullen moesten afgeven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze nog meer bij zich hadden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gefouilleerd (op waardevolle spullen);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op 18 december 2009, op of nabij de [straat], althans op of nabij een openbare weg, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders

- met die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] per telefoon een ontmoeting heeft afgesproken en/of

- naar en/of in de richting van die afgesproken plek is gegaan, voorzien van een bivakmuts en/of capuchon en/of

- een mes zichtbaar heeft vastgehouden en/of in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij al hun geld en waardevolle spullen moesten afgeven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze nog meer bij zich hadden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gefouilleerd (op waardevolle spullen).

Partiële vrijspraak

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs voor het onder 2 primair ten laste gelegde ontbreekt, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en

2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 december 2009, nabij de [straat], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders

- met die [slachtoffer 1] per telefoon een ontmoeting heeft afgesproken en

- naar die afgesproken plek is gegaan, voorzien van een bivakmuts en/of capuchon en

- een mes zichtbaar heeft vastgehouden en in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij al hun geld moesten afgeven, en aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze nog meer bij zich hadden en

- die [slachtoffer 1] heeft gefouilleerd op waardevolle spullen;

2 subsidiair.

hij op 18 december 2009, nabij de [straat], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders

- met die [slachtoffer 1] per telefoon een ontmoeting heeft afgesproken en

- naar die afgesproken plek is gegaan, voorzien van een bivakmuts en/of capuchon en

- een mes zichtbaar heeft vastgehouden en in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij al hun waardevolle spullen moesten afgeven en aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gevraagd of ze nog meer bij zich hadden, en

- die [slachtoffer 1] heeft gefouilleerd op waardevolle spullen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde onder 1 en 2 subsidiair levert telkens op het misdrijf:

medeplegen van afpersing.

Strafbaarheid

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het onder 1 en 2 ten laste gelegde door de verdachte is begaan in een situatie van psychische overmacht.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat zijn cliënt geen weerstand kon bieden aan de druk vanuit de groep mededaders.

Van niet strafbaarheid op grond van psychische overmacht is sprake wanneer iemand het feit begaat onder invloed van een van buiten komende drang van zodanige aard dat weerstand van de verdachte daartegen redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hetgeen door de raadsman en de verdachte daaromtrent is aangevoerd houdt niet meer in dan dat de verdachte aan de groepsdruk zou hebben toegegeven om mee te gaan, hoewel hij daar geen zin in had. Het hof wil dat wel aannemen, maar is van oordeel dat daarmee geen sprake is van een zodanige pressie dat verdachte daaraan geen weerstand had kunnen en moeten bieden. Ten aanzien van mogelijke gevolgen van een weigering is niets aangevoerd of aannemelijk geworden, dat een ander licht op de zaak zou kunnen werpen.

Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem in zoverre ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 18 december 2009 schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing.

De strafwaardigheid van dit delict vindt vooral een grondslag in het feit dat de slachtoffers, die zich vanwege de dreiging met een mes in een kwetsbare positie bevonden, zich hiertegen niet of nauwelijks konden verdedigen en geen andere uitweg zagen dan hun geld danwel telefoon onder dwang af te geven.

Uit het de verdachte betreffende Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 16 december 2010 blijkt, dat hij niet eerder is veroordeeld en, dat hij na het plegen van het bewezen verklaarde niet wederom met justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de op 2 juli 2010 bij de rechtbank ingekomen rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming en de rapportage van Bureau Jeugdzorg Groningen d.d. 7 juli 2010. Hieruit blijkt dat er geen risico's zijn voor de verdere ontwikkeling van verdachte en er evenmin aanwijzingen zijn voor achterliggende problematiek. Zulks wordt bevestigd door de indruk die het hof ter terechtzitting heeft verkregen van de persoon van de verdachte. In zoverre lijkt er sprake van een incident. Daarnaast komt hieruit het beeld naar voren dat verdachte zich positief lijkt te ontwikkelen, hij zich thans realiseert dat hij fout heeft gehandeld, dat hij spijt heeft en zich schuldig voelt. Daarnaast heeft verdachte inmiddels een sociale vaardigheidstraining ondergaan.

Gelet hierop ziet het hof - in tegenstelling tot hetgeen door de kinderrechter in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd - aanleiding om in plaats van het opleggen van jeugddetentie te volstaan met werkstraf van na te melden duur, mede gelet op de weinig actieve rol van de verdachte in het geheel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 56, 77a, 77g, 77m, 77n en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en

2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. A. Dijkstra en mr. H. de Hek, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij als griffier, zijnde mr. Dijkstra buiten staat dit arrest te ondertekenen.