Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP5665

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
24-001699-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens (1) oplichting, dan wel verduistering, telkens in vereniging (2) vernieling, dan wel huisvredebreuk en (3) diefstal in vereniging met braak.

Het hof verwerpt het verweer t.a.v. feiten 2 en 3, dat het weggenomene en het pand waarin dit goed zich bevond van verdachte waren.

Volgt veroordeling wegens (1) verduistering, (2) vernieling en (3) diefstal in vereniging met braak. In verband met overschrijding van de redelijke termijn legt het hof (in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig dagen op, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001699-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-605867-07

Arrest van 24 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 18 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken. De advocaat-generaal heeft daarbij aangegeven dat zij, indien geen sprake zou zijn geweest van overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van acht weken zou hebben geëist.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1:

hij op of omstreeks 23 maart 2007 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [tankstation] en/of [slachtoffer 1] heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld (99,38 euro), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, nadat hij bij een BP tankstation aan de [straat] een hoeveelheid benzine had getankt, bij een medewerker van dat tankstation doen voorkomen en/of doen geloven dat hij, verdachte, [alias] heette en de volgende dag zou terugkomen om de benzine te betalen, waardoor [tankstation]/[slachtoffer 1] werd bewogen tot het aangaan van een inschuld;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 23 maart 2007 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 74 liter benzine, in elk geval een hoeveelheid benzine, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de [straat], had(den) getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) aldus anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2:

hij op of omstreeks 26 juli 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand aan de [straat], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 26 juli 2007 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen (winkel)pand aan/nabij de [straat] en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

3:

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2007 tot en met 10 juli 2007 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [straat] heeft weggenomen een airco, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Het hof beschouwt in de laatste regel van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, de zinsnede "tot het aangaan van een inschuld" als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als "tot het teniet doen van een inschuld". Het hof beschouwt in het onder 2 primair ten laste gelegde de straatnaam "[straat]" en in het onder 2 subsidiair ten laste gelegde de straatnaam "[straat]" als kennelijke misslagen en leest dit telkens verbeterd als "[straat]". Het hof beschouwt ten slotte in het onder 3 ten laste gelegde de naam van het slachtoffer "[slachtoffer]" als kennelijke misslag en leest dit verbeterd als "[slachtoffer]". Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd. Met name acht het hof niet bewezen dat in het onderhavige geval sprake is geweest van het 'teniet doen van een inschuld', omdat door de medewerker van het tankstation aan verdachte slechts uitstel van betaling is verleend. Het hof zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat verdachte van de hem ten laste gelegde inbraak dient te worden vrijgesproken, omdat daarbij door verdachte meegenomen airco niet aan aangever toebehoorde, maar aan hem, verdachte, zelf. Volgens de verdediging was de afspraak tussen verdachte en aangever (de verhuurder van het pand aan de [straat]) dat aangever € 6.000,00 aan verdachte (de huurder van dat pand) zou betalen voor het plaatsen van een systeemplafond met airco.

Het hof stelt vast dat verdachte met een medeverdachte door middel van braak het pand aan de [straat] te [plaats] is binnengegaan en de airco van het plafond heeft gesloopt. Deze handelingen zijn verricht zonder toestemming van de aangever, die de eigenaar van het pand was. Aangever en verdachte verschilden van mening over het antwoord op de vraag aan wie de airco toebehoorde. Niet is gebleken dat verdachte - zoals beiden hadden afgesproken - aan de aangever een nota voor de airco heeft gestuurd.

De bewezenverklaring van het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening wordt niet uitgesloten door de enkele omstandigheid dat verdachte meende dat de airco hem nog in eigendom toebehoorde omdat aangever hem de € 6.000,00 nog verschuldigd zou zijn, terwijl niet blijkt dat verdachte de aangever een nota had gestuurd. Dit verschafte verdachte geen titel om eigenhandig - door middel van braak - de airco uit het pand van aangever weg te nemen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1 subsidiair:

hij op 23 maart 2007 in de gemeente [gemeente], opzettelijk 74 liter benzine, toebehorende aan [tankstation], welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de [straat], had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2 primair:

hij op 26 juli 2007 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand aan de [straat], toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield;

3:

hij in de periode van 9 juli 2007 tot en met 10 juli 2007 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand aan de [straat] heeft weggenomen een airco, toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair, 2 primair en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 subsidiair:

verduistering;

2 primair:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen;

3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Zo heeft verdachte zich op 23 maart 2007 schuldig gemaakt aan verduistering door benzine te tanken zonder deze te betalen. Vervolgens heeft verdachte in de periode van 9 tot en met 10 juli 2007 zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde diefstal door met een ander een pand open te breken waarin zij onder meer een airco hebben gedemonteerd en meegenomen. Op 26 juli 2007, heeft verdachte bij datzelfde pand een ruit van een deur vernield. Uit hetgeen verdachte ter verdediging van zijn handelen aanvoert, namelijk dat zich in het betreffende pand goederen bevonden die van hem waren, dat hem door de eigenaar van het pand geen toegang tot het pand werd verleend en dat hij daarom de ruit van de deur heeft vernield en heeft ingebroken, vloeit voort dat verdachte bij herhaling meent het recht in eigen hand te kunnen nemen. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van een ander.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 29 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen passend en geboden. Verdachte heeft op 26 juni 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De einduispraak van het hof vindt plaats op 24 februari 2011. De redelijke termijn is daardoor met acht maanden overschreden. Het hof vermindert de op te leggen gevangenisstraf tot de duur van zevenentwintig dagen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 311, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair en onder 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair, 2 primair en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig dagen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier, zijnde mrs. Koolschijn en Heins voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.