Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP5375

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
24-000379-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van - kort gezegd - opzettelijk nalaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor het vaststellen van haar recht op een uitkering veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 100 uren. Bij de straftoemeting is rekening gehouden met het feit dat zij in het plegen van het feit een gering aandeel heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000379-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-613017-08

Arrest van 22 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 9 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte,

mr. R.J. de Boer, advocaat te Coevorden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en haar ter zake zal veroordelen tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zij op een of meer tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 november 2007 te [plaats], in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens - schriftelijk en/of ondertekend - te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente], dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de (afdeling sociale dienst van de) gemeente [gemeente] opzettelijk in het geheel niet gemeld dat haar partner, althans de persoon met wie zij op de [adres] te [plaats] een gezamenlijke huishouding voert, te weten [naam], in voornoemde periode werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten had genoten, zulks terwijl dat toen wel het geval was.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

zij in de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 november 2007 te [plaats], in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens - schriftelijk en ondertekend - te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente], dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de afdeling sociale dienst van de gemeente [gemeente] opzettelijk in het geheel niet gemeld dat haar partner, te weten [naam], in voornoemde periode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten had genoten, zulks terwijl dat toen wel het geval was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dit feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl zij weet dat die gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op de hoogte van een verstrekking of een tegemoetkoming.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van in 1 januari 2006 tot en met 30 november 2007 opzettelijk nagelaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor het vaststellen van haar recht op een WWB-uitkering. In die periode heeft haar partner werkzaamheden verricht en inkomsten genoten. Door deze relevante gegevens aan de uitkeringverstrekkende instantie te onthouden heeft verdachte die instantie de mogelijkheid ontnomen om volledig inzicht te krijgen in feiten en omstandigheden die van belang konden zijn voor de vaststelling van verdachtes recht op uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die uitkering. Verdachte heeft hiervan geprofiteerd.

Het hof heeft bij de straftoemeting een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiƫle documentatie van 13 december 2010 in aanmerking genomen. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft voorts bij de straftoemeting rekening gehouden met het feit dat verdachte in het plegen van het bewezenverklaarde feit een gering aandeel heeft gehad.

Het hof heeft tot slot rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze uit het dossier naar voren komen en ter terechtzitting van het hof door de raadsman van verdachte naar voren zijn gebracht.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, een passende en noodzakelijke bestraffing is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. J.A.A.M. van Veen, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier.