Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4991

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
24-001759-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van mishandeling van een politieambtenaar, bedreiging met de dood en wederspannigheid veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. Het hof heeft het verweer, inhoudende dat verdachte niet wist dat degene die hij mishandelde een politieambtenaar was, verworpen. Het beroep op putatief noodweer, dat in het verlengde daarvan lag, heeft het hof eveneens verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001759-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-653890-08

Arrest van 17 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 23 januari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. Y. Quint, advocaat te

's-Hertogenbosch.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, heeft een maatregel opgelegd en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 16 december 2010 en 3 februari 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 500,-, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 21 september 2008, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde], hoofdagent van de Regiopolitie Groningen, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, een of meerdere malen heeft gestompt en/of geschopt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 21 september 2008, in de gemeente [gemeente], (via een ander of anderen) [benadeelde], hoofdagent van de Regiopolitie Groningen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met gebalde vuisten op genoemde [benadeelde] afgelopen en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "als jij mij niet loslaat, maak ik je af" en/of "nou maak ik je zeker dood, ik maak je hartstikke af" en/of "als ik de politieagent die mij heeft gepepperd tegenkom in zijn vrije tijd, dan is hij de lul", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 21 september 2008, in de gemeente [gemeente], toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafba(a)re feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden.

Bewijsoverweging en bespreking verweer

Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting van het hof primair bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het opzettelijk mishandelen van een ambtenaar. Hiertoe is - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte niet wist dat de persoon die hij op 21 september 2008 schopte en sloeg, een politieambtenaar (in burger) was. Hij zou in de veronderstelling hebben verkeerd dat hij door iemand werd aangevallen en als reactie daarop geweld hebben gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat op het moment dat verdachte en getuige [getuige] door verbalisanten [verbalisant] en [benadeelde] werden aangesproken, aan hen zowel mondeling als door het tonen van het legitimatiebewijs van [benadeelde], kenbaar is gemaakt dat [verbalisant] en [benadeelde] politieambtenaren waren. Getuige [getuige] heeft in zijn verklaring bij de politie d.d. 21 september 2008 en ter terechtzitting in eerste aanleg bevestigd dat hij en verdachte door een man en een vrouw werden aangesproken die zeiden dat ze van de politie waren.

Dat ook verdachte heeft gehoord en begrepen dat het om politieambtenaren ging, blijkt uit zijn reactie tegenover [benadeelde] en [verbalisant] dat hij "het onzin vond" dat hij een bekeuring zou krijgen voor wildplassen.

Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte wist dat degene die hem aansprak en later vastpakte een politieambtenaar was. Verdachte heeft deze persoon vervolgens geschopt en geslagen. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het opzettelijk mishandelen van een politieambtenaar.

Subsidiair is door de raadsman van verdachte een beroep gedaan op putatief noodweer. Hiertoe heeft hij (wederom) betoogd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij van doen had met iemand die hem kwaad wilde doen. Verdachte zou niet hebben geweten dat de persoon tegen wie hij geweld gebruikte een politieambtenaar was.

Nu het hof hiervoor heeft vastgesteld dat op het moment dat verdachte en getuige [getuige] door 2 personen werden aangesproken die hun kenbaar hebben gemaakt dat ze van de politie waren en zich ook als zodanig hebben gelegitimeerd, en verdachte derhalve heeft geweten dat hij een politieambtenaar schopte en sloeg, kan het beroep reeds om die reden niet slagen.

Het hof verwerpt het beroep.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 21 september 2008, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde], hoofdagent van de Regiopolitie Groningen, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft gestompt en geschopt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 21 september 2008, in de gemeente [gemeente], [benadeelde], hoofdagent van de Regiopolitie Groningen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met gebalde vuisten op genoemde [benadeelde] afgelopen en heeft deze daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "als jij mij niet loslaat, maak ik je af" en "nou maak ik je zeker dood, ik maak je hartstikke af" en "als ik de politieagent die mij heeft gepepperd tegenkom in zijn vrije tijd, dan is hij de lul";

3.

hij op 21 september 2008, in de gemeente [gemeente], toen aldaar dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. wederspannigheid.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 21 september 2008 schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met de dood van een politieambtenaar, en wederspannigheid. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij agressie heeft gebruikt tegen een politieman die niets anders dan zijn werk deed en die gezien de rol die hij in de samenleving vervult, respect verdient. Het met geweld belemmeren van een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar taak, is niet te tolereren en dient streng te worden bestraft.

Het hof heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 11 november 2010, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, zij het van andere aard dan de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten.

Het hof is - met de advocaat-generaal - van oordeel dat de door de politierechter in eerste aanleg opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, acht het hof een passende, en tevens noodzakelijke bestraffing. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient hierbij tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 850,- als voorschot.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door het onder 1 bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij in ieder geval tot dat bedrag schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof voornoemd bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 180, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, tot een bedrag van achthonderdvijftig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt

- tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van achthonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], hoofdagent van Regiopolitie Groningen;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Heins, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier.