Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4926

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.072.502/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dochter uit huis geplaatst. Moeder wenst met het door haar daartegen ingestelde hoger beroep te bereiken dat de dochter bij vader wordt geplaatst, hetgeen evenwel niet in deze procedure bewerkstelligd kan worden. Ten overvloede: uithuisplaatsing in pleeggezin is in belang van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 3 februari 2011

Zaaknummer: 200.072.502

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I. Wagenaar, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank Groningen van 25 mei 2010 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam dochter] (verder te noemen: [dochter]), geboren op [geboortedatum], verlengd met een jaar, met ingang van 23 mei 2010, en is voorts de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 23 augustus 2010, heeft de moeder verzocht die beschikking te vernietigen voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is verlengd.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 september 2010, heeft BJZ het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring, dan wel afwijzing van het verzoek.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de brieven met bijlagen van mr. Wagenaar van 6 september 2010 en 9 september 2010.

Bij brief van 30 augustus 2010 heeft de Raad voor de Kinderbescherming het hof voorts meegedeeld dat geen (nieuwe) relevante informatie bij de raad beschikbaar is.

Ter zitting van 12 januari 2011 is de zaak, gevoegd met het appel van de vader tegen de onderhavige machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] (zaaknummer 200.070.376) behandeld. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Wagenaar;

- mevrouw A. Schoonderwoerd en mevrouw M. Lautenbach namens BJZ;

- de heer [naam] (de vader van [dochter]), bijgestaan door mr. Rietberg;

- als toehoorster mevrouw [naam], de oma van [dochter] (vaderszijde).

Nagekomen stukken

Het hof heeft met het oog op de goede procesorde niet kennisgenomen van de na afloop van de zitting ingediende brief met bijlagen van mr. Rietberg van 14 januari 2011.

De beoordeling

Feiten en achtergronden

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof onder meer het volgende gebleken.

[dochter] is op [geboortedatum] geboren uit de sinds januari 2005 bestaande relatie tussen de moeder en [vader]. De vader van [dochter] heeft haar erkend en is sinds april 2010 mede belast met het gezag over [dochter].

[dochter] moest na haar geboorte enige weken in het UMCG blijven voor observatie mede in verband met middelengebruik door de moeder. De moeder heeft te kampen (gehad) met alcohol- en drugsverslaving, al dan niet verband houdend met haar persoonlijkheidsproblematiek. De moeder is gediagnosticeerd met ADHD, kenmerken van borderline en hoogbegaafdheid. De moeder heeft voorts het nodige meegemaakt. Zo is zij als kind zelf ook uit huis geplaatst en is haar vroegere vriend (en vader van een ander kind van de moeder) bij een schietincident om het leven gekomen.

Ook aan vaders kant is sprake van de nodige problematiek. Vader is verstandelijk beperkt en heeft te kampen met alcoholverslaving. Daarnaast kan de vader zijn agressie niet altijd even goed beheersen, met name onder invloed van alcohol. In mei 2006 is de vader strafrechtelijk gedetineerd voor huiselijk geweld. De moeder is dan elf weken zwanger.

Op 9 december 2006 zijn de moeder en de dan pasgeboren [dochter], gewapend met een hulpverleningsplan, ontslagen uit het ziekenhuis. Op 4 januari 2007 escaleert het echter opnieuw in de thuissituatie. Vader is onder invloed van alcohol en agressief. Hij verwondt zichzelf en dreigt [dochter] mee te nemen. Moeder en [dochter] gaan vrijwillige naar het Toevluchtsoord en vader gaat bij zijn moeder wonen. De relatie tussen de vader en de moeder is sindsdien beëindigd.

Vanaf 18 januari 2007 tot november 2007 verblijven moeder en [dochter] in de Lage Kamp, een kliniek voor verslaafde ouders met kinderen. Daarna gaat de moeder met [dochter], onder begeleiding, zelfstandig wonen. Begin maart 2009 blijkt een terugval bij de moeder. De moeder erkent al enige maanden weer middelen te hebben gebruikt.

[dochter] wordt vervolgens in een pleeggezin ondergebracht waar zij in de periode van 4 maart 2009 tot 9 september 2009 verblijft. Aansluitend worden de moeder en [dochter], tot januari 2010, opgenomen in De Lagekamp. Begin januari 2010 komt de moeder niet terug van verlof. De moeder heeft een terugval en heeft [dochter] meegenomen. Zij weigert aanvankelijk aan te geven waar [dochter] verblijft, zodat een opsporingsbericht wordt uitgedaan. Na aandringen van BJZ brengt de moeder [dochter] daarop bij de vader. De Lagekamp deelt mee dat de moeder (op dat moment) niet terug kan komen.

De kinderrechter verleent daarop een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] en op 8 januari 2010 wordt [dochter] in het pleeggezin ondergebracht waar zij eerder heeft verbleven.

Bij de hier bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] in een voorziening voor pleegzorg laatstelijk verlengd.

De overwegingen van het hof

Ter beoordeling staat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezicht- stelling, derhalve tot 23 mei 2011.

De moeder heeft geen grief gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [dochter], zodat in deze procedure ervan uit kan worden gegaan dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW is voldaan.

Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend en zo nodig verlengd, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het belang van het kind staat derhalve voorop.

De kinderrechter in de rechtbank Groningen heeft in de bestreden beschikking uitgebreid gemotiveerd waarom aan de voorwaarden voor het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] is voldaan en dat het in belang van [dochter] noodzakelijk is dat haar verblijf in het pleeggezin wordt gecontinueerd.

De moeder heeft twee grieven aangevoerd, die er in het kort op neerkomen dat de verlenging niet in het belang van [dochter] is en daarnaast dat de vader de verzorging en opvoeding van [dochter] op zich kan nemen. Ter zitting van het hof heeft de moeder toegelicht dat zij met het onderhavige beroep beoogt te bewerkstelligen dat [dochter] bij de vader wordt geplaatst. Het verblijf van [dochter] in het pleeggezin is volgens de moeder niet goed voor [dochter] omdat zij daar te weinig aandacht krijgt en de contacten met de moeder worden gehinderd.

Met betrekking tot de stelling van de moeder dat [dochter] bij de vader kan worden geplaatst, die mede het gezag over [dochter] heeft, overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt vast dat [dochter] vóór haar uithuisplaatsing het hoofdverblijf bij de moeder had en dat de moeder ter zitting van het hof heeft bevestigd dat zij niet in staat is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [dochter] op zich te nemen. Gebleken is in dit verband dat een procedure bij de rechtbank aanhangig is waarin is verzocht om het hoofdverblijf van [dochter] te wijzigen naar de vader, maar dat daarop ten tijde van de zitting van het hof nog niet was beslist door de rechtbank. Dit betekent dat met het onderhavige beroep niet kan worden bewerkstelligd dat [dochter] bij de vader wordt geplaatst. Een wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarige tijdens een maatregel als de onderhavige valt buiten het bestek van deze procedure, mede omdat daarvoor in de wet aparte met waarborgen omklede regelingen zijn getroffen. Het hof wijst in dit verband op de artikelen 1:263 lid 2 aanhef en onder c BW en 1:263 lid 4 BW.

Daargelaten het vorenstaande en geheel ten overvloede overweegt het hof het volgende. Het hof onderschrijft het oordeel van de kinderrechter dat het in belang van [dochter] op dit moment niet verantwoord kan worden geacht om haar naar de vader te laten terugkeren. Het hof verwijst kortheidshalve naar de overwegingen van de kinderrechter op dit punt en maakt die tot de zijne. Weliswaar zijn er thans positieve ontwikkelingen aan de zijde van de vader in die zin dat hij nu wel hulp aanvaardt voor zijn verslavingsproblematiek, maar gelet op de vele incidenten (en terugvallen) die er in het verleden hebben plaatsgevonden, acht het hof het te voorbarig om op grond daarvan de machtiging te vernietigen dan wel te bekorten. Aan de overwegingen van de kinderrechter wil het hof voorts toevoegen dat de ouders het eigen aandeel in de ontstane situatie en het zwaarwegende belang van [dochter] bij een stabiele en veilige leefomgeving (waarin zij gevrijwaard wordt van schadelijke invloeden zoals middelengebruik en geweldsuitbarstingen en waarin de voorwaarden aanwezig zijn voor een gunstige ontwikkeling), nog onvoldoende lijken te beseffen.

Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat het huidige pleeggezin van [dochter] niet geschikt is, overweegt het hof dat de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de onderhavige machtiging buiten het bestek van deze procedure valt. In deze procedure staat enkel ter beoordeling of aan de voorwaarden voor het verlenen van de machtiging is voldaan. Het is de verantwoordelijkheid van BJZ om op zodanige wijze uitvoering te geven aan de machtiging dat [dochter] op een voor haar geschikte plek terecht komt.

De wijze waarop de contacten tussen de moeder en [dochter] vorm worden gegeven door BJZ en de frequentie daarvan, staan eveneens niet ter beoordeling in deze procedure. Voor zover de moeder in dit verband gewezen heeft op het recht op 'family life' als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat ook op dit punt in de wet met waarborgen omklede rechtsingangen zijn geschapen waarvan de moeder desgewenst gebruik kan maken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat thans niet alleen de randvoorwaarden ontbreken voor een verantwoorde terugkeer van [dochter] naar de moeder dan wel de vader, maar dat daarnaast ook het belang van [dochter] bij continuering van haar huidige stabiele situatie, maakt dat een terugkeer van [dochter] op dit moment niet aan de orde is.

De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen voor zover bestreden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 mei 2010, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, B.J.J. Melssen en A.W. Jongbloed, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op

3 februari 2011 in bijzijn van de griffier.