Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4917

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.070.376/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dochter is uit huis geplaatst en moeder heeft bevestigd niet voor de dochter te kunnen zorgen. In het kader van het hoger beroep van vader tegen de uithuisplaatsing kan niet in deze procedure worden bewerkstelligd dat de dochter bij vader wordt geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 3 februari 2011

Zaaknummer: 200.070.376

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P. Rietberg, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank Groningen van 25 mei 2010 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam kind] (verder te noemen: [dochter]), geboren op 25 november 2006, verlengd met een jaar, met ingang van 23 mei 2010, en is voorts de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 juli 2010, heeft de vader verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de uithuisplaatsing met onmiddellijke ingang wordt opgeheven en [dochter] voortaan bij de vader zal verblijven, subsidiair te bepalen dat er een traject dient te worden opgezet waarbij er zal worden toegewerkt naar een plaatsing van [dochter] bij de vader waarbij de gezinsvoogd alle hulp en steun dient aan te bieden die daarvoor nodig is.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 6 september 2010, heeft BJZ het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek.

Ter zitting van 12 januari 2011 is de zaak, gevoegd met het appel van de moeder tegen de onderhavige machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] (zaaknummer 200.072.502) behandeld. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. Rietberg;

- [naam], de moeder van [dochter], bijgestaan door mr. Wagenaar;

- mevrouw A. Schoonderwoerd en mevrouw M. Lautenbach namens BJZ;

- als toehoorster mevrouw [naam], de oma van [dochter] (vaderszijde).

De beoordeling

Feiten en achtergronden

Het hof verwijst voor wat betreft een samenvatting van de relevante feiten en achtergronden van de zaak naar de weergave in de bestreden beschikking op de eerste pagina en op de tweede pagina tot en met de tweede alinea. Deze weergave is op zichzelf niet bestreden. In aanvulling daarop wijst het hof erop dat de vader [dochter] heeft erkend en dat hij sinds 13 april 2010 gezamenlijk met de moeder is belast met het gezag over [dochter], met dien verstande dat zij onder toezicht staat van BJZ.

Bij de bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] in een voorziening voor pleegzorg, laatstelijk verlengd.

De overwegingen van het hof

Ter beoordeling staat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezicht- stelling, derhalve tot 23 mei 2011.

De vader heeft geen grief gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [dochter], zodat in deze procedure ervan uit kan worden gegaan dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW is voldaan.

Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend en zo nodig verlengd, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het belang van het kind staat derhalve voorop.

De kinderrechter in de rechtbank Groningen heeft in de bestreden beschikking uitgebreid gemotiveerd waarom aan de voorwaarden voor het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter] is voldaan en dat het in belang van [dochter] noodzakelijk is dat haar verblijf in het pleeggezin wordt gecontinueerd.

De eerste en enige grief van de vader strekt ten betoge dat hij bereid en in staat is om, zo nodig met hulp, de dagelijkse verzorging en opvoeding van [dochter] op zich te nemen en dat de kinderrechter daar ten onrechte aan voorbij is gegaan.

Het hof stelt vast dat [dochter] vóór haar uithuisplaatsing het hoofdverblijf bij de moeder had en dat de moeder ter zitting van het hof heeft bevestigd dat zij niet in staat is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [dochter] op zich te nemen. Gebleken is in dit verband dat een procedure bij de rechtbank aanhangig is waarin is verzocht om het hoofdverblijf van [dochter] te wijzigen naar de vader, maar dat daarop ten tijde van de zitting van het hof nog niet was beslist door de rechtbank. Dit betekent dat met het onderhavige beroep niet kan worden bewerkstelligd dat [dochter] bij de vader wordt geplaatst. Een wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarige tijdens een maatregel als de onderhavige valt buiten het bestek van deze procedure, mede omdat daarvoor in de wet aparte met waarborgen omklede regelingen zijn getroffen. Het hof wijst in dit verband op de artikelen 1:263 lid 2 aanhef en onder c BW en 1:263 lid 4 BW.

Bovendien onderschrijft het hof het oordeel van de kinderrechter dat het in belang van [dochter] op dit moment niet verantwoord kan worden geacht om haar naar de vader te laten terugkeren. Het hof verwijst kortheidshalve naar de overwegingen van de kinderrechter op dit punt en maakt die tot de zijne.

Weliswaar zijn er thans positieve ontwikkelingen aan de zijde van de vader in die zin dat hij nu wel hulp aanvaardt voor zijn verslavingsproblematiek, maar gelet op de vele incidenten (en terugvallen) die er in het verleden hebben plaatsgevonden, acht het hof het te voorbarig om op grond daarvan de machtiging te vernietigen dan wel te bekorten. Bovendien is ter zitting van het hof gebleken dat de vader zich nog niet onder behandeling heeft laten stellen voor zijn agressie(beheersing), zodat onduidelijk is gebleven of op dat punt thans verbetering kan worden verwacht. Ook om die reden acht het hof thans terugkeer van [dochter] niet verantwoord. De vader is immers herhaaldelijk verdacht geweest van huiselijk geweld en heeft in deze procedure niet bestreden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld.

Voor zover de vader heeft aangevoerd dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen om voor [dochter] te zorgen kan het hof dat niet volgen. Het is mede aan het gedrag van vader te wijten dat de machtiging tot uithuisplaatsing thans in het belang van [dochter] noodzakelijk is. Uit de stukken blijkt immers dat vader (meermaals) met de moeder alcohol is gaan nuttigen wetende van moeders verslavingsproblematiek en behandelingen, nog afgezien van de strafrechtelijke aspecten van de zaak. Het hof acht het in dit verband zorgelijk dat de ouders het eigen aandeel in de ontstane situatie en het zwaarwegende belang van [dochter] bij een stabiele en veilige leefomgeving (waarin zij gevrijwaard wordt van schadelijke invloeden zoals middelengebruik en geweldsuitbarstingen en waarin de voorwaarden aanwezig zijn voor een gunstige ontwikkeling), nog onvoldoende lijken te beseffen.

Hetgeen de vader voor het overige heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel omtrent de noodzakelijkheid van de onderhavige maatregel leiden en kan dus verder onbesproken blijven.

De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen voor zover bestreden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 mei 2010, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, B.J.J. Melssen en

A.W. Jongbloed, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 februari 2011 in bijzijn van de griffier.