Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4901

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.056.113/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oorzaken die aanleiding hebben gegeven voor ondercuratelestelling nog aanwezig. Minder vergaande maatregel beschermen belangen van verzoekster onvoldoende. Ambtshalve ontslag curator, gelet op slechte verstandhouding tussen betrokkenen en de door verzoekster geuite voorkeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 februari 2011

Zaaknummer 200.056.113

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat mr. B.G. Kooi, kantoorhoudende te Dokkum,

tegen

1. [naam geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

2. [naam geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: de curatoren,

advocaat mr. H.J.K. Wulp, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 26 oktober 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de verzoeken van [appellante] afgewezen. [appellante] had de rechtbank verzocht om beëindiging van de curatele, subsidiair omzetting van de curatele in een onderbewindstelling en mentorschap en meer subsidiair de huidige curatoren te ontslaan en mr. G.J. de Jong (te Drachten) als curator te benoemen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 26 januari 2010, heeft [appellante] verzocht de beschikking van 26 oktober 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende de ondercuratelestelling te beëindigen, althans deze om te zetten in een onderbewindstelling en mentorschap met benoeming van mr. De Jong tot bewindvoerder en mentor, althans de huidige curatoren te ontslaan en mr. De Jong tot curator te benoemen met ingang van een in goede justitie te bepalen datum.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 25 mei 2010, hebben de curatoren het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans haar deze verzoeken te ontzeggen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 7 april 2010 en een brief met bijlage van 29 september 2010 van mr. Kooi en een brief met bijlage van 1 juni 2010 van mr. Wulp.

Ter zitting van 25 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellante], bijgestaan door mr. Kooi en de curator [naam geïntimeerde], bijgestaan door mr. Wulp.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Bij beschikking van de rechtbank van 25 april 2002 zijn de goederen van [appellante] onder bewind gesteld. Tevens was sprake van een mentorschap. Bij beschikking van 14 december 2007 is [appellante] wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld.

2. [appellante] heeft op 20 april 2009 haar bezwaren geuit bij de rechtbank tegen de ondercuratelestelling. De rechtbank heeft beslist zoals hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. Het hoger beroep richt zich tegen deze beslissing.

De overwegingen

3. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank op juiste gronden heeft besloten tot afwijzing van de verzoeken van [appellante].

Verzoek tot beëindiging curatele

4. Uit art. 1:389 lid 1 BW volgt dat de rechter de curatele kan beëindigen indien is vastgesteld dat de oorzaken die aanleiding hebben gegeven tot de curatele niet meer aanwezig zijn.

5. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar medische situatie niet is veranderd ten opzichte van het moment van instellen van de curatele. Volgens haar kan niet worden gezegd dat zij in het geheel niet in staat is om haar belangen waar te nemen, nu zij de afgelopen periode heeft laten zien haar leven weer meer op orde te hebben. Ten tijde van de ondercuratelestelling was er sprake van grote financiële problemen en escalaties tussen de stiefmoeder en [appellante]. [appellante] is van mening dat zij inmiddels -met hulp van haar opa, haar vriend en zijn ouders- in staat is om voor zichzelf te zorgen en haar financiën op orde te houden.

6. De curatoren zijn van mening dat de ondercuratelestelling van [appellante] gehandhaafd dient te blijven. Zij hebben daartoe aangevoerd dat minder vergaande beschermingsmaatregelen in het verleden onvoldoende zijn gebleken en dat nergens uit blijkt dat [appellante] in staat is om goed voor zichzelf te zorgen en dat zij haar financiën op juiste wijze beheert. [appellante] woonde eerder bij haar vader, maar zij is daar weggegaan om vervolgens bij haar opa te gaan wonen. Sindsdien houden zowel [appellante] als opa ieder contact met de familie tegen. Vanaf dat moment is er geen enkel zicht meer op het welzijn en de gezondheid van [appellante], hetgeen zeer onwenselijk is. De curatoren hebben aangegeven al het mogelijke te hebben geprobeerd om [appellante] weer thuis te krijgen, maar dat dit niet tot resultaat heeft geleid.

7. Het hof is, gelet op de stukken en de behandeling ter zitting, met de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot beëindiging van de curatele dient te worden afgewezen. Door appellante zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, en ook anderszins is dit niet gebleken om aan te nemen dat de grond voor de curatele, te weten de geestelijke stoornis waardoor de betrokkene, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen behoorlijk waar te nemen, niet meer aanwezig is.

8. In 2007 heeft de rechter, op grond van meerdere redenen, besloten om een ondercuratelestelling uit te spreken. Ter zitting is naar voren gekomen dat de moeder van [appellante] in eerste instantie bewindvoerder was en dat er ook toen al de nodige problemen waren bij de uitoefening van deze taak. Bij moeilijkheden koos [appellante] voor de weg van de minste weerstand door naar haar opa te gaan. Na het overlijden van de moeder is de vader bewindvoerder geworden. Ook dit verliep niet goed. [appellante] wijst toezicht af en probeert zich telkens aan toezicht te onttrekken. Zij overziet echter de gevolgen van haar wensen en keuzes niet. Het bleek niet goed mogelijk om grip te krijgen op de financiële situatie en de belangen van [appellante] goed te behartigen.

9. Uit het rapport van De Swaai van 31 juli 2008 komt naar voren dat [appellante], met een IQ van 56, functioneert op het niveau van een lichte verstandelijke beperking. Zij lijkt zichzelf sterk te overschatten in haar mogelijkheden en wil zelf de regie houden. Voorts is geconcludeerd dat haar vrije opstelling kwetsbaarheid in contacten met anderen met zich brengt. De Swaai heeft psycho-educatie geadviseerd, zodat [appellante] meer inzicht krijgt in wat ze wel en niet kan. MEE zou hiervoor kunnen worden ingeschakeld. MEE heeft bij brief van 10 september 2010 aangegeven sinds 12 juli 2010 betrokken te zijn bij [appellante]. Op grond van dossieronderzoek en de contacten met [appellante] is MEE van mening dat het voor [appellante] vanwege haar licht verstandelijke beperking, moeilijk is zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Ook is aangegeven dat [appellante] haar eigen mogelijkheden overschat. MEE acht het van belang dat [appellante] in financiële zin wordt beschermd, maar ook dat zij wordt ondersteund bij niet-materiële zaken. Professionele ondersteuning wordt door MEE nodig geacht. Ter zitting is gebleken dat [appellante] momenteel geen professionele begeleiding ontvangt. [appellante] heeft op dit moment alleen een jobcoach (voor begeleiding op haar werk) en daarnaast ontvangt zij steun van haar vriend en zijn ouders.

10. Voor het hof is voldoende vast komen te staan dat [appellante] het moeilijk vindt om een situatie met zijn consequenties te overzien en om beslissingen te nemen en zich daaraan te houden, alsmede dat mensen gemakkelijk misbruik kunnen maken van haar. Het hof heeft bij zijn beoordeling mede betrokken de vraag of een onderbewindstelling en mentorschap voldoende zou zijn en deze vraag ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van het hof zijn met minder vergaande maatregelen de belangen van [appellante] onvoldoende beschermd, daarbij mede gelet op haar bescherming in het rechtsverkeer. Al hetgeen partijen meer of anderszins naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Verzoek tot benoeming van een andere curator

11. Vervolgens is de vraag aan de orde of de benoeming van geïntimeerden tot curatoren nog juist is.

12. Gelet op het feit dat de verstandhouding met de curatoren vanuit de beleving van [appellante] zodanig verslechterd is dat er een voor alle betrokkenen onwerkbare situatie is ontstaan en daarbij in aanmerking genomen het feit dat de wet voorschrijft dat de rechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, zal het hof ambtshalve overgaan tot het ontslag van de huidige curatoren en tot benoeming van mr. De Jong te Drachten als curator. Uit de door appellante bijgevoegde verklaring blijkt dat mr. De Jong zich bereid heeft verklaard de curatele te aanvaarden. Voorts is niet gebleken van gegronde redenen die zich tegen zodanige benoeming verzetten.

13. Ten overvloede merkt het hof nog op dat het wenselijk wordt geacht dat rond [appellante] meer structuur zal komen middels inzet van professionele hulpverlening. Mogelijk kan op termijn tevens worden toegewerkt aan het normaliseren van de familieverhoudingen. Van [appellante] mag worden verwacht dat zij zich inzet om de verhouding tussen de curator en haar werkbaar te houden.

Slotsom

14. Het hof zal gelet op het voorgaande als volgt beslissen.

De beslissing

Het gerechtshof:

ontslaat [naam geïntimeerde] en [naam geïntimeerde] als curatoren van [appellante];

benoemt tot curator van [appellante] mr. G.J. de Jong te Drachten;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gewezen door mrs. A.W. Beversluis, voorzitter, M.P. den Hollander en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 februari 2011 in bijzijn van de griffier.