Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4887

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.079.128/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het is verzoekster te verwijten dat zij geen melding heeft gemaakt van haar strafrechtelijke veroordeling en het (eventueel) moeten ondergaan van de gevangenisstraf. Geen afdoende excuus dat zij meende dat het vonnis niet onherroepelijk was of mogelijk gratie zou worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 10 februari 2011

Zaaknummer 200.079.128

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Arrest in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. G.W. van der Zee, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 17 december 2010 heeft de rechtbank Groningen op voordracht van de rechter-commissaris de sedert 26 april 2010 ten aanzien van [appellante] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 december 2010, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende de schuldsaneringsregeling niet te beëindigen maar de looptijd te verlengen met negentig dagen, zijnde de tijd dat zij door het uitzitten van haar straf niet aan uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen heeft kunnen voldoen, althans zodanig te bepalen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 2 februari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellante], bijgestaan door haar advocaat, en de bewindvoerder mevrouw A.P.C. van der Woude.

De beoordeling

Inleiding

1. De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, van de Faillissementswet (hierna: Fw). De rechtbank is van oordeel dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat haar dat kan worden toegerekend.

Hiertoe overweegt de rechtbank - samengevat - dat [appellante] bij haar verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling van 23 februari 2010 geen melding heeft gemaakt van de veroordeling van 25 november 2009. Op de toelatingszitting van 22 april 2010 heeft zij hiervan evenmin melding gemaakt. De gestelde psychische problemen zijn volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd om tot het oordeel te komen dat de tekortkoming van [appellante] vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dient te blijven. Gelet op de ernst van het feit waarvoor [appellante] is veroordeeld, alsmede het feit dat zij door het uitzitten van haar gevangenisstraf, op dit moment niet kan voldoen aan haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, is de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringsregeling tussentijds dient te worden beëindigd.

2. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen.

Het oordeel

3. Op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, Fw kan de schuldsaneringsregeling tussentijds worden beëindigd indien de schuldenaar een of meer verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien niet naar behoren nakomt. Het hof dient te onderzoeken of ten aanzien van [appellante] van de genoemde beëindigingsgrond sprake is. Het overweegt daartoe als volgt.

4. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep staat vast dat [appellante] op 25 november 2009 door de politierechter te Groningen bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen ter zake van diefstal, gevolgd door bedreiging met geweld. [appellante] heeft in hoger beroep niet bestreden dat zij noch bij haar verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling van 23 februari 2010 noch op de toelatingszitting van 22 april 2010 daarvan melding heeft gemaakt. Ook kan er van worden uitgegaan dat [appellante] de bewindvoerder omtrent die veroordeling niet heeft ingelicht tijdens het (eerste) huisbezoek op 10 mei 2010 en dat zij dat nadien uit eigen beweging ook niet heeft gedaan, maar dat de bewindvoerder daarvan eerst in september 2010 via de postblokkade kennis kreeg. Uit de stukken maakt het hof voorts op dat [appellante] met genoemde veroordeling in elk geval op 25 februari 2010 bekend was. Uit het faxbericht van die datum van mr. A. Allersma, haar toenmalige raadsman, aan het arrondissementsparket te Groningen, valt af te leiden dat [appellante] hem van het betreffende vonnis in kennis had gesteld.

5. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan zij weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. De destijds bepaald niet denkbeeldige kans dat zij de gevangenisstraf waartoe zij in november 2009 was veroordeeld tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling zou moeten ondergaan, is een omstandigheid waarvan [appellante] wist, althans behoorde te begrijpen dat zij daarvan - ook ongevraagd - melding had moeten maken, zo mogelijk reeds bij de indiening van het toelatingsverzoek op 23 februari 2010, maar in elk geval tijdens de toelatingszitting op 22 april 2010 en bij gelegenheid van het huisbezoek van de bewindvoerder van 10 mei 2010. Het (eventueel) moeten ondergaan van die gevangenisstraf is immers van invloed op het door haar (kunnen) voldoen aan haar, eveneens uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

6. Er zijn onvoldoende feiten gesteld of gebleken waaruit volgt dat [appellante] van voormeld tekortschieten geen verwijt kan worden gemaakt. Dat [appellante], zoals zij heeft gesteld, geen melding heeft gemaakt van de veroordeling van 25 november 2009 omdat zij op 23 februari 2010 in de veronderstelling leefde dat het desbetreffende vonnis nog niet onherroepelijk was respectievelijk op 22 april 2010 de overtuiging had dat op haar gratieverzoek positief zou worden beslist, acht het hof daarvoor geen afdoende excuus. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat haar van dat tekortschieten geen verwijt kan worden gemaakt wegens dan wel in verband met bij haar bestaande psychische problemen, is het hof van oordeel dat zij dat standpunt (ook) in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd.

7. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350, lid 3, aanhef en onder c, Fw dient te worden beëindigd. Hoewel de bewindvoerder ter zitting van het hof te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen een eventuele verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, zoals door [appellante] verzocht, acht het hof de aard en de ernst van het tekortschieten van [appellante] zodanig dat dit in de weg staat aan voortzetting van de schuldsaneringsregeling en daarmee dus ook aan de door [appellante] verzochte verlenging van de looptijd daarvan.

Slotsom

8. Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, R.A. Zuidema en J.P. Evenhuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 februari 2011 in bijzijn van de griffier.