Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4859

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
200.051.656-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling, toedeling (verpachte) percelen, vergoeding gebruik melkquotum? Uitsluitingsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 18 januari 2011

Zaaknummer 200.051.656/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. H.A. Jeuring, kantoorhoudende te Zuidhorn,

voor wie gepleit heeft mr. H.A. Jeuring, advocaat te Zuidhorn,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B.P.C. de Jong, kantoorhoudende te Sneek,

voor wie gepleit heeft mr. B.P.C. de Jong, advocaat te Sneek.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 23 september 2009 door de Rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 11 december 2009 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 22 december 2009.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 23 september 2009 van de Rechtbank te Leeuwarden, tussen partijen gewezen onder rolnummer 84315 / HA ZA 07-638 en opnieuw rechtdoende, één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

IN CONVENTIE:

De door appellante ingestelde vordering alsnog toe te wijzen.

IN RECONVENTIE:

De door geïntimeerde ingestelde vorderingen alsnog af te wijzen, hetzij door de geïntimeerde daarin niet-ontvankelijk te verklaren hetzij door haar die te ontzeggen.

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, heeft [appellante] geconcludeerd voor eis:

"te beslissen overeenkomstig de eis van [appellante], voor zover het perceel grasland en de vergoeding van het melkquotum betreffende, conform is weergegeven in de conclusie van repliek in conventie en conclusie van dupliek in reconventie, met dien verstande dat wanneer gesteld wordt dat door [geïntimeerde] een vergoeding voor pacht is voldaan, een vergoeding van het melkquotum dient plaats te vinden vanaf het moment van ondertekening van de pachtovereenkomst tot aan de daadwerkelijke toebedeling van het melkquotum aan [geïntimeerde], zijnde derhalve een vermeerdering van eis, in plaats van de verzochte vergoeding over de periode van overlijden van moeder en het moment van toebedeling van het melkquotum,

uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, met veroordeling [geïntimeerde] in de kosten van de procedure alsmede met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in eerste aanleg."

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van 23 september 2009 van de Rechtbank Leeuwarden onder rolnummer 84315 / HA ZA 07-638 te bekrachtigen en [appellante] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep."

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op basis van de stukken uit het pleitdossier.

De grieven

[appellante] heeft twee genummerde grieven opgeworpen en één verholen grief (in de memorie van grieven sub 8 tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren).

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis sub 2 (2.1. tot en met 2.3) een aantal feiten vastgesteld waarover tussen partijen geen geschil bestaat, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Mede gelet op hetgeen in dit hoger beroep is komen vast te staan, kan tussen partijen van het volgende worden uitgegaan.

1.1 Partijen zijn zussen. Hun vader is op 27 februari 1989 overleden en hun moeder op 6 december 2004. Beide ouders hebben bij testament over hun nalatenschap beschikt. In hun testamenten is ondermeer de volgende bepaling opgenomen:

'Ik bepaal dat hetgeen mijn erfgenamen uit mijn nalatenschap zullen verkrijgen, niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen , waarin zij zijn gehuwd of zullen huwen'.

1.2 Op 22 mei 2006 is [naam], de broer van partijen overleden. Hij heeft [appellante] bij testament tot zijn enige erfgenaam aangewezen. Door het overlijden van de ouders is een onverdeeldheid ontstaan, waarin thans [appellante] voor 2/3 deel en [geïntimeerde] voor 1/3 deel zijn gerechtigd.

1.3 Tot de onverdeeldheid behoren de volgende goederen:

- de woning, staande en gelegen aan de [adres 1]

- de boerderij, staande en gelegen aan de [adres 2]

- enige percelen grasland, gelegen achter en naast genoemde boerderij met een

totale oppervlakte van 9.28.16 hectare;

- ca 43.100 kilogram melkquotum;

- banksaldi;

- sieraden;

- inboedelzaken.

1.4 Tussen de vader van partijen en [naam], de echtgenoot van [geïntimeerde], is in oktober 1986 ten aanzien van een deel van het hiervoor genoemde grasland, te weten een perceel ter grootte van 2.55 hectare, een door de Grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst gesloten.

1.5 Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg zijn partijen overeengekomen dat de waarde van de woning, de boerderij, de landerijen en het melkquotum zal worden bepaald door een tweetal door hen aan te wijzen deskundigen en dat zij deze waardebepaling als bindend zullen aanvaarden.

De deskundigen hebben op 3 april 2008 rapport uitgebracht en daarin de volgende waarden vastgesteld:

- de woning, onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik € 240.000,--

- de boerderij, onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik € 225.000,--

- het grasland, onderhandse verkoopwaarde vrij van pacht en gebruik € 213.440,-- - het melkquotum, verkoopwaarde € 42.163,--

Het geding in eerste aanleg

2. [appellante] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en - na wijziging van eis - gevorderd haar op straffe van een dwangsom te veroordelen tot medewerking aan de verdeling op de door [appellante] bij conclusie van repliek gevorderde wijze. [geïntimeerde] heeft op haar beurt gevorderd [appellante] op straffe van een dwangsom te veroordelen om mee te werken aan de verdeling op de door [geïntimeerde] bij conclusie van eis in reconventie gevorderde wijze.

3. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning en de boerderij verkocht dienen te worden, en dat de netto opbrengst tussen partijen zal worden verdeeld aldus dat [appellante] 2/3 deel krijgt en [geïntimeerde] 1/3.

Voorts heeft de rechtbank partijen gelast de tussen hen bestaande gemeenschap te verdelen aldus dat:

- de percelen grasland aan [geïntimeerde] worden toegedeeld, terzake waarvan [geïntimeerde] [appellante] een bedrag van € 142.293,33 (2/3 deel van de vrije verkoopwaarde) dient te voldoen;

- het melkquotum aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld, terzake waarvan zij [appellante] een bedrag van € 28.108,66 (2/3 deel van € 42.163,--) dient te voldoen;

- de banksaldi worden gedeeld aldus dat aan [appellante] 2/3 deel toekomt en aan [geïntimeerde] 1/3 deel of dat zij in die verhouding aan een eventueel debetsaldo bij zullen dragen;

- ieder van partijen die inboedelzaken en sieraden die zij feitelijk onder zich heeft geacht, wordt toegedeeld te hebben gekregen, zulks zonder verrekening, met dien verstande dat partijen de zaken die zich mogelijk nog in de woning aan de [adres 1] bevinden bij helfte dienen te verdelen.

De rechtbank heeft partijen bevolen over en weer medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van de verdeling en aan de levering van de in de verdeling betrokken goederen en heeft bepaald dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van de verdeling, te voldoen.

De rechtbank heeft de kosten van de procedure gecompenseerd aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Tot slot heeft de rechtbank het meer of anders door partijen gevorderde afgewezen.

Bespreking van de grieven

4. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de percelen grasland aan [geïntimeerde] moeten worden toegedeeld.

[appellante] heeft in de toelichting op haar grief in de memorie van grieven en ter gelegenheid van het pleidooi uiteengezet dat zij een financieel belang heeft bij toedeling van 2/3 deel van de landerijen omdat zij het - anders dan [geïntimeerde] - wenselijk acht een deel van het grasland samen met de boerderij te verkopen. Zij is van mening dat dit de waarde van de boerderij positief zal beïnvloeden. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat de waarde van het grasland sedert de waardering daarvan in 2008 is gestegen en dat zij wenst te delen in die waardestijging. [appellante] is van mening dat haar belang dient te prevaleren boven het belang van [geïntimeerde].

5. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de percelen terecht aan haar heeft toegedeeld, omdat haar man, die een agrarisch bedrijf heeft, een deel van het grasland in pacht heeft en bij toedeling van alle percelen aan haar ruimere bedrijfsmogelijkheden krijgt, onder andere voor het weiden van vee en de afzet van mest op eigen land. Voorts heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat het melkquotum is gekoppeld aan het grasland en dat zij zonder toedeling van het land niets heeft aan het haar tevens toegedeelde melkquotum.

[geïntimeerde] heeft betwist dat bij de verkoop van de boerderij een hogere opbrengst kan worden gerealiseerd wanneer daarbij tevens een gedeelte van het grasland wordt verkocht. [appellante] onderbouwt dat niet en volgens de deskundigen maakt het voor de verkoopopbrengst geen verschil of de boerderij met of zonder grasland te koop wordt aangeboden, aldus [geïntimeerde].

6. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[appellante], die er net als [geïntimeerde] mee heeft ingestemd dat de waardebepaling door de deskundigen bindend zal zijn, heeft haar stelling dat de waarde van het grasland sedert de waardering in 2008 aanzienlijk is gestegen op geen enkele wijze onderbouwd. Datzelfde geldt voor haar stelling dat er voor de boerderij een hogere verkoopopbrengst kan worden verkregen in het geval daarbij tevens een deel van het grasland te koop wordt aangeboden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het belang van [geïntimeerde], wier echtgenoot door middel van de exploitatie van een agrarisch bedrijf in het levensonderhoud voorziet, te dezen doorslaggevend dient te zijn.

7. Grief 1 faalt.

8. Grief 2 is gericht tegen verwerping door de rechtbank van het standpunt van [appellante] dat [geïntimeerde] in het kader van de verdeling een vergoeding dient te voldoen voor het gebruik van het melkquotum over de periode 1 januari 2005 tot aan maart 2008.

9. [appellante] heeft zowel bij memorie van grieven als ter gelegenheid van het pleidooi benadrukt dat zij tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg enkel afstand heeft gedaan van haar vordering terzake van vergoeding voor het melkquotum voor zover die was gebaseerd op de stelling dat voor het gebruik daarvan tijdens het leven van de ouders een te laag bedrag is betaald.

10. Het hof stelt vast dat de voorwaardelijke vermeerdering van eis door [appellante] bij memorie van grieven in hoger beroep - die inhoudt dat wanneer wordt gesteld dat door [geïntimeerde] een vergoeding voor pacht is voldaan, een vergoeding van het melkquotum dient plaats te vinden vanaf het moment van ondertekening van de pachtovereenkomst tot aan daadwerkelijk toebedeling van het melkquotum aan [geïntimeerde] - zich niet verhoudt met het prijsgeven van haar vordering met betrekking tot de periode voor het overlijden van moeder. Dit onderdeel van de vordering is mitsdien niet voor toewijzing vatbaar.

11. [appellante] stelt dat zij haar vordering heeft gehandhaafd voorzover deze ziet op het gebruik van het melkquotum door de man van [geïntimeerde] na het overlijden van moeder. [appellante] is van mening dat [geïntimeerde] gehouden is vanaf 2005 terzake een vergoeding van € 2.280,-- per jaar te voldoen op de boedelrekening.

12. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellante] ter gelegenheid van de comparitie volledig afstand heeft gedaan van haar vordering terzake van het gebruik van het melkquotum en dat dit ook uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt. [geïntimeerde] wijst erop dat [appellante] niet geprotesteerd heeft tegen de inhoud van de proces-verbaal.

13. Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Het hoger beroep dient er mede toe fouten uit de procedure in eerste aanleg te herstellen.

De rechter heeft in het proces-verbaal opgenomen dat mr. Jeuring, raadsman van [appellante], desgevraagd heeft medegedeeld "dat er geen sprake meer van vergoedingen voor het gebruik daarvan (Hof: lees: melkquotum) door [geïntimeerde] hoeft te zijn."

Dit duidt inderdaad op het volledig prijsgeven van de betreffende vordering.

Nu de betreffende passage echter is opgenomen in het deel van het proces-verbaal dat buiten de aanwezigheid van partijen is opgemaakt en niet door [appellante] is ondertekend, terwijl [appellante] in hoger beroep alsnog uitdrukkelijk betwist dat deze mededeling aldus is gedaan, zal het hof dat niet als vaststaand aannemen.

14. [geïntimeerde] heeft betwist een vergoeding terzake van het gebruik van het melkquotum verschuldigd te zijn: een dergelijke vergoeding is nimmer overeengekomen. Zij wijst erop dat de vergoeding voor het melkquotum is begrepen in de met haar man overeengekomen pachtprijs.

Ter gelegenheid van het pleidooi is nog aangevoerd dat de man van [geïntimeerde] in het verleden zelfs meer heeft betaald dan waartoe hij op grond van het pachtcontract gehouden was.

15. Het hof overweegt als volgt. De vader van partijen is op 7 oktober 1986 een pachtovereenkomst aangegaan met de man van [geïntimeerde], tegen een pachtprijs van

f. 1.500,-- per jaar en voor een periode van zes jaar. Sedertdien is de pacht verlengd. In de pachtovereenkomst is melding gemaakt van het feit dat op de verpachte gronden een melkquotum rust.

Voor zover [appellante] zich tijdens de procedure in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat er van pacht geen sprake is, gaat het hof daaraan voorbij, nu [appellante] niet heeft gegriefd tegen de vaststelling dienaangaande door de rechtbank in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis.

16. Nu de pachtovereenkomst met de man van [geïntimeerde] is gesloten en ook hij het is die van het melkquotum gebruik maakt, valt niet in te zien dat [geïntimeerde] terzake in het kader van de verdeling een vergoeding aan de boedel zou moeten voldoen. In dit verband merkt het hof op dat uit de testamenten van de ouders voortvloeit dat hetgeen uit hun nalatenschappen wordt verkregen niet valt in een enige gemeenschap waarin [geïntimeerde] mocht zijn gehuwd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de echtgenoot van [geïntimeerde] dan ook niet medegerechtigd in het aan haar toe te delen grasland.

Voorzover de boedel al een vordering op de man van [geïntimeerde] zou hebben, kan het hof daarover niet oordelen, nu hij geen partij in deze procedure is.

Nu [appellante] haar stellingen dat er voor het gebruik van het melkquotum een vergoeding van € 2.280,-- per jaar aan de boedel verschuldigd zou zijn, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd, ziet het hof evenmin aanleiding om er in het kader van de verdeling van uit te gaan dat terzake nog een vordering tot de boedel behoort.

17. Grief 2 faalt.

18. Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de verholen grief, die is gericht tegen de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg, vergeefs is voorgedragen.

Slotsom

19. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Gelet op het feit dat partijen zussen zijn, zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 23 september 2009 waarvan beroep;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.M.A. Wind, voorzitter, W. Breemhaar en M.E.L. Fikkers, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 januari 2011 in bijzijn van de griffier.