Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4790

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
200.062.451/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft partneralimentatie. Geen grove miskenning wettelijke maarstaven, nu partijen bewust van de maatstaven zijn afgeweken. Geen wijziging van omstandigheden. Daarbij niet in te zien dat het gaan samenwonen van de man zijn draagkracht zou doen toenemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 januari 2011

Zaaknummer 200.062.451

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Dam-de Haan, kantoorhoudende te Emmen,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T. Meier, kantoorhoudende te Assen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 13 januari 2010 heeft de rechtbank Assen het verzoek van de vrouw tot wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals vastgelegd in het convenant, neergelegd in een notariële akte van 15 januari 2009, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 april 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 13 januari 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de vrouw in eerste aanleg, te weten:

de destijds door partijen overeengekomen door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in het levensonderhoud te wijzigen in een bedrag van € 805,-- per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift,

alsnog toe te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 25 mei 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 8 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen en hun advocaten.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 18 maart 1977 in wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 30 december 2008 hebben partijen hun huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap.

2. Het geregistreerde partnerschap is beëindigd door inschrijving van de door partijen daartoe strekkende verklaring in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand op 23 januari 2009.

3. In verband met de beëindiging van hun geregistreerde partnerschap hebben partijen een convenant gesloten, neergelegd in een notariële akte die is opgemaakt op 15 januari 2009.

In het convenant is onder meer bepaald - kort weergegeven - dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum waarop de echtelijke woning is verkocht en geleverd maar in ieder geval met ingang van 1 juli 2009, maandelijks een bedrag van € 150,-- aan partneralimentatie zal betalen.

4. De vrouw heeft de rechtbank verzocht dit bedrag te wijzigen. De rechtbank heeft beslist zoals hiervoor bij 'Het geding in eerste aanleg" staat vermeld.

5. Het beroep van de vrouw richt zich tegen deze beslissing van de rechtbank.

6. De man woont samen met een nieuwe partner. Zij zijn eind januari 2009 een geregistreerd partnerschap aangegaan. De partner van de man heeft twee kinderen - van 14 en 17 jaar oud - uit een eerder huwelijk. Die kinderen hebben het hoofdverblijf bij hun vader, maar verblijven op grond van de co-ouderschapregeling van de ouders, ongeveer de helft van de week bij de man en zijn partner. De man heeft inkomsten uit dienstbetrekking en uit zijn onderneming. Zijn partner heeft inkomen uit arbeid. Zij betaalt alimentatie ten behoeve van haar kinderen aan haar ex-echtgenoot.

7. De vrouw is alleenstaande. Zij heeft inkomen uit arbeid.

De geschilpunten tussen partijen

8. De grieven van de vrouw zijn, kort weergegeven, de volgende, waarbij het hof de meest verstrekkende grieven als eerste bespreekt.

1. De vrouw beroept zich er op dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zij stelt dat zij zich in eerste aanleg ook niet op het bepaalde in lid 4, maar op het bepaalde in lid 5 van artikel 1:401 BW heeft beroepen.

2. Subsidiair is haar stelling dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man, waardoor de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

3. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat (a) de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat de vrouw ervan op de hoogte was dat de nieuwe partner van de man de uitkoop van de vrouw in het kader van de boedelscheiding moest financieren en (b) dat de rechtbank, door op de voorzienbaarheid van het door de man gaan samenwonen haar beslissing te baseren, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd.

9. De man heeft zich tegen deze stellingen van de vrouw verweerd.

Hij heeft, kort weergegeven, aangevoerd dat (1) partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, er (2) geen sprake is van een wijziging van omstandigheden waarmee niet al rekening was gehouden bij het tekenen van het convenant en (3) de vrouw wel wist dat zijn partner een financiële rol speelde bij de uitkoop van de vrouw in het kader van de boedelscheiding van partijen.

10. Het hof oordeelt als volgt over de geschilpunten.

(1) is de overeenkomst aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven?

Het wettelijk kader

11. Het wettelijk kader in deze is lid 5 van artikel 1:401 BW, dat luidt:

Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

12. Bij de beoordeling van deze grief van de vrouw dient de rechter zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij wat partijen bij het aangaan van hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij mede dient te worden gelet op het verband dat kan zijn beoogd tussen de alimentatieregeling en eventuele door partijen getroffen regelingen van andere aard. Uitgangspunt daarbij dient de tekst van het convenant te zijn. Partijen hebben in artikel 2 van het convenant de volgende tekst opgenomen, waarbij het hof, evenals in de hierna aangehaalde tekst van artikel 13, tussen haakjes en cursief de tekst vermeldt die door het kopiëren weggevallen is:

(…)

PARTNERALIMENTATIE

Artikel 2

Met ingang van het moment waarop de woning staande en gelegen aan de [adres] (te) [woonplaats] is verkocht en geleverd aan de nieuwe eigenaar zal de man bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van

€ 150,00 (een honderd vijftig euro) echter met dien verstande, dat in afwijking van het voormelde de alimentatieverplichting een aanvang zullen nemen op een juli tweeduizend n(egen).

Dat bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering, zoals bedoeld in ar 1:402a van het Burgerlijk Wetboek, voor het eerst met ingang van het jaar volgend op het (jaar) waarop de alimentatiebetaling gaat plaatsvinden.

Partijen komen overeen dat de duur van alimentatie beperkt en gemaximeerd zijn tot 12 jaar na de datum van inschrijving van de verklaring van beëindiging geregistreerd partnerschap.

Zulks met dien verstande dat partijen tot uiterlijk drie maanden na ommekomst van de te(rmijn) verlenging van deze termijn kunnen vragen. Verlenging is alleen mogelijk als de beëindigin(g van) de alimentatie dermate ingrijpende gevolgen heeft dat de beëindiging in strijd moet worde(n) geacht met de redelijkheid en billijkheid.

Betreffende deze bepaling komen partijen nadrukkelijk overeen dat ingeval degene die ee(n) alimentatie van de ander behoeft zich alsnog tot de rechter wendt met een verzoek tot vaststelling van de alimentatie, alles voor zover de partijen niet in onderling overleg het d(e) ander ten titel van alimentatie te betalen bedrag kunnen overeenkomen, zal de duur van (de) alimentatie beperkt en gemaximeerd zijn tot twaalf jaar na de datum van inschrijving van (de) verklaring van beëindiging geregistreerd partnerschap.

(…)

13. Uit deze tekst is naar het oordeel van het hof voldoende af te leiden dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Er wordt in dit artikel 2 immers niet gesproken over behoefte en behoeftigheid van de vrouw en evenmin over draagkracht van partijen, dan wel de draagkracht van de man of berekeningen die ten grondslag liggen aan deze afspraak. Dat partijen dit bewust hebben gedaan blijkt naar het oordeel van het hof ook duidelijk uit de tekst van artikel 13 van de overeenkomst.

In artikel 13 van het convenant is, onder meer, de volgende tekst opgenomen:

Artikel 13

(….)

Partijen verklaren tevens dat voormelde alimentatiebedrag is overeengekomen in onder(ling) overleg tussen partijen.

Partijen verklaren ermee op de hoogte te zijn dat voormeld bedrag geenzins (het hof leest: geenszins) overeen hoeft te komen met de uitkomsten van alimentatieberekeningen indien de richt(lijn) van de geldende "Trema-normen" zouden worden gehanteerd. Partijen zijn hierop ge(wezen) door de notaris en verklaarden van een alimentatieberekening af te zien om hen moverende redenen.

Partijen verklaren uitdrukkelijk door de notaris (…) te zijn gewezen op de juridische merites (….)

Onder andere is besproken

1. de problematiek omtrent de alimentatie.

(…)

14. De man heeft nog opgemerkt dat hij destijds heeft gezegd dat het bedrag van € 150,- het bedrag was dat hij per maand kon missen en niet meer. Er is geen berekening gemaakt; het bedrag is in onderling overleg vastgesteld.

15. De vrouw heeft aangevoerd dat zij niet op voorhand de tekst van de akte heeft ontvangen. De man heeft dit bestreden; hij stelt dat de akte wel voorafgaand aan de ondertekening is toegezonden. Het hof acht de stelling van de man aannemelijk, mede nu deze werkwijze in het algemeen de gebruikelijke gang van zaken binnen het notariaat is.

16. Wat hier ook van zij, de vrouw heeft ter zitting verklaard dat de notaris de gehele tekst van de volledige akte heeft voorgelezen, alvorens deze door partijen werd getekend. De vrouw wist aldus, of kon redelijkerwijs weten, waarmee ze instemde en wat zij ondertekende.

17. Bovendien is zij, blijkens de verklaringen ter zitting van het hof, als eerste en alleen naar de notaris gegaan, voor een informatief gesprek op 16 december 2008. Vervolgens hebben partijen op 22 december 2008 samen een bespreking met de notaris gevoerd. Daarna is de vrouw nogmaals alleen bij de notaris geweest en ten slotte is men op 15 januari 2009 naar de notaris gegaan om het convenant in de vorm van een notariële akte te ondertekenen.

De vrouw was derhalve bepaald niet onvoorbereid op het moment van ondertekening.

18. Voorts heeft de advocaat van de man ter zitting nog - onbestreden - verklaard dat zij telefonisch contact heeft opgenomen met de betreffende notaris en dat hij haar heeft verteld dat hij zich er van vergewist had dat partijen wisten wat ze overeen kwamen. Juist omdat het hier een zogenaamde 'flitsscheiding' betrof.

19. Naar het oordeel van het hof lag het op de weg van de vrouw, gelet op al het vorenstaande, om een gespecificeerd bewijsaanbod te doen van haar stellingen, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man. Een zodanig bewijsaanbod heeft zij niet gedaan.

20. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw grote haast had bij het passeren van de akte en het ontvangen van het door de man te betalen bedrag ter zake van de boedelscheiding opdat zij de - in afwachting van de levering krachtens koop - door haar gehuurde woning kon afnemen. Dit ontsloeg haar echter niet van de verplichting om de akte goed te lezen en pas na volledige instemming met de tekst deze te ondertekenen zoals zij gedaan heeft.

21. Nu het hof van oordeel is dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven is er voor het inroepen van het bepaalde in het 5e lid van artikel 1:401 BW geen plaats.

Deze grief van de vrouw faalt derhalve.

22. Eerst ter zitting van het hof heeft de vrouw nog aangevoerd dat zij ten tijde van het tekenen van het convenant 'labiel' zou zijn geweest. Deze stelling is tardief en ook niet onderbouwd en wordt door het hof dan ook gepasseerd.

(2) is er sprake van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man, waardoor de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet?

Het wettelijk kader

23. Indien een verzoeker in rechte aanvoert dat zich sedert de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt, is de verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.

24. De vrouw heeft aan het inleidend verzoek en haar beroep (mede) een wijziging van omstandigheden ten grondslag gelegd en kan in haar verzoek worden ont¬vangen.

De wijziging van omstandigheden

25. De door de vrouw opgevoerde wijziging ziet op het feit dat de man is gaan samenwonen met een nieuwe partner. De vrouw stelt dat zij weliswaar op de hoogte was van de nieuwe relatie van de man, maar dat dit niet zonder meer betekent dat een (spoedige) samenwoning aan de orde zou zijn. Zij stelt dat het bedrag van € 150,- uitsluitend is vastgesteld voor de periode tót het moment dat de man zou gaan samenwonen. De vrouw heeft aangevoerd dat de afspraak was, dat er wel een berekening zou worden gemaakt op het moment dat de man zou gaan samenwonen. De afspraak van het huidige alimentatiebedrag is in december 2008 gemaakt, is vastgelegd in het convenant van 15 januari 2009 en vervolgens ging de man - voor de vrouw geheel onverwacht, is haar stelling - eind januari 2009 al samenwonen.

De advocaat van de vrouw heeft nog benadrukt dat het niet de bedoeling van partijen is geweest een 'waterdichte' afspraak te maken; dan hadden partijen een niet-wijzigingsbeding opgenomen, en dat is niet gebeurd.

26. De man heeft dit bestreden en gesteld dat voldoende aannemelijk en duidelijk was dat deze samenwoning op korte termijn zijn beslag zou krijgen.

Ook is bij de bespreking van het convenant tussen partijen afgesproken dat het vastgestelde bedrag niet gewijzigd zou worden, noch als er wijzigingen aan de kant van de man zouden ontstaan, noch als de vrouw meer inkomen zou krijgen of zou gaan samenwonen, aldus de man.

27. De vrouw heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd of inzichtelijk gemaakt. Ze heeft op dit punt ook geen bewijsaanbod gedaan. Dit lag - gelet op de tekst van het convenant - op haar weg

28. Het hof vermag voorts niet in te zien waarom het enkele feit dat de man gaat samenwonen met zijn huidige partner, een verschil in behoefte én draagkracht tot gevolg kan hebben van € 650,- per maand. Ook op dat punt heeft de vrouw geen stellingen geponeerd of bewijsstukken overgelegd.

29. Deze grief van de vrouw faalt.

(3) Heeft de rechtbank ten onrechte gesteld dat de vrouw ervan op de hoogte was dat zijn nieuwe partner de uitkoop van de vrouw in het kader van de boedelscheiding moest financieren?

30. Het hof is van oordeel dat de rechtbank dit terecht heeft gesteld, nu voldoende aannemelijk is gemaakt door de man dat de vrouw hiervan wel op de hoogte was. De partner van de man was immers indirect betrokken bij het convenant tussen partijen in die zin, dat zij het bedrag dat de man aan de vrouw diende te voldoen in verband met de boedelscheiding, heeft gefinancierd.

De vrouw heeft stellig ontkend hiervan op de hoogte te zijn, maar de man heeft dit voldoende weersproken met een door de man (aan de wederpartij ter zitting) getoonde tekst van een Sms-bericht van 13 januari 2009 te 13.30 uur van de vrouw aan de man. Zij vraagt daarin aan de man:

"Hoe laat moet je vriendin naar de bank, weet je dat ook? Moet ik even weten."

Tegen deze gemotiveerde betwisting heeft de vrouw, gelet op haar stelling, geen, althans onvoldoende bewijs geleverd.

31. In dit licht bezien is voor het hof voldoende aannemelijk dat in dit kader de samenwoning van de man met zijn partner aan de orde en voorzienbaar moet zijn geweest.

Deze grief van de vrouw faalt derhalve ook.

Heeft de rechtbank, door op de voorzienbaarheid haar beslissing te baseren, een verkeerde maatstaf gehanteerd?

32. Deze grief van de vrouw - dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, door de al dan niet voorzienbaarheid van een omstandigheid als vereiste op te leggen voor de mogelijkheid tot wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1 BW - slaagt.

Uit de jurisprudentie blijkt immers dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW niet van belang is of die omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst bekend dan wel voorzienbaar zijn geweest (zie ook HR LJN BB3554).

33. Overigens maakt het oordeel van het hof dat deze grief van de vrouw slaagt, de beslissing op het beroep van de vrouw niet anders. Het hof baseert de beslissing immers op andere gronden dan de rechtbank heeft gedaan.

Proceskosten

34. Het hof acht geen termen aanwezig om, zoals de man heeft verzocht, de kosten van deze procedure in hoger beroep ten laste te brengen van de vrouw en in zoverre dus af te wijken van het gebruik dat de kosten van een procedure tussen ex-partners worden gecompenseerd, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt. Ook al wordt de vrouw in het ongelijk gesteld, niet kan worden gezegd dat zij tegen beter weten in of zonder enige grond in hoger beroep is gekomen, dan wel van dit recht misbruik heeft gemaakt.

Slotsom

35. Op grond van het voorgaande, en met name gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 32 en 33 is het hof van oordeel dat op de door het hof genoemde gronden (anders dan die van de rechtbank) de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

36. Nu partijen ex-partners zijn worden de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, M.P. den Hollander en G.K. Schipmölder, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 januari 2011 in bijzijn van de griffier.