Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4581

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
24-002457-0
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BK3343, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tevens heeft het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002457-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-650187-09

Arrest van 15 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 28 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M. Crouwel, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft aan verdachte een bijkomende straf opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het aan verdachte primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van drie jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2009, te [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, het [adres], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te gaan rijden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en/of (daardoor) niet en/of niet tijdig een voor hem, voor het verkeerslicht, stilstaande en/of langzaam rijdende, auto op te merken en/of niet en/of niet tijdig af te remmen en/of (aldus) zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarna (vervolgens) een aanrijding (zogenaamde kop/staart botsing) is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die voor hem stilstaande en/of langzaam rijdende auto, bestuurd door [slachtoffer], waardoor een ander (genoemde [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten rug en nekklachten, slechter zicht en/of tintelingen in de hand althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A. hij op of omstreeks 23 januari 2009, te [plaats], als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het [adres], is gaan rijden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en/of (daardoor) niet en/of niet tijdig een voor hem, voor het verkeerslicht, stilstaande en/of langzaam rijdende, auto heeft opgemerkt en/of niet en/of niet tijdig heeft afgeremd en/of (aldus) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarna (vervolgens) een aanrijding (zogenaamde kop/staart botsing) is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die voor hem stilstaande en/of langzaam rijdende auto, bestuurd door [slachtoffer], door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij

op of omstreeks 23 januari 2009, te [plaats], als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het [adres], zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft verdachte niet en/of niet tijdig een voor hem, voor het verkeerslicht, stilstaande en/of langzaam rijdende, auto opgemerkt en/of niet en/of niet tijdig afgeremd waarna (vervolgens) een aanrijding (zogenaamde kop/staart botsing) is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die voor hem stilstaande en/of langzaam rijdend auto;

B.

hij op of omstreeks 23 januari 2009, te [plaats], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 192 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Bewijsoverweging

De rechtbank heeft verdachte schuldig bevonden aan roekeloos rijgedrag. De advocaat-generaal heeft ter zitting aangevoerd dat de gedraging van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als zijnde roekeloos rijden, maar dat zijn rijgedrag 'zeer onvoorzichtig' genoemd dient te worden, nu onvoldoende blijkt dat verdachte bewust de risico's van zijn rijgedrag heeft aanvaard.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld in de vorm van roekeloosheid heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, dient acht te worden geslagen op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de die gedragingen, alsmede de overige omstandigheden van het geval. Met de term roekeloosheid in de zin van artikel 175 van die wet wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. Het gaat om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag, waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen.

In de onderhavige zaak leidt het hof uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende gang van zaken af.

Verdachte had op 23 januari 2009 om 16.15 uur een afspraak bij zijn huisarts. Verdachte had deze afspraak omdat hij iets wilde doen aan zijn alcoholprobleem. Voorafgaande aan deze afspraak had verdachte alcoholhoudende drank genuttigd. Verdachte verklaart hier zelf over dat hij voorafgaande aan het bezoek aan zijn huisarts vier tot vijf slokken heeft gedronken uit de fles port die hij in de auto had liggen. Toen het bezoek aan de huisarts niet naar tevredenheid van verdachte was verlopen en hij - zoals hij zelf heeft verklaard - teleurgesteld weer in zijn auto zat, heeft verdachte wederom uit de fles port gedronken. Verdachte heeft aangegeven dat hij zich niet meer kan herinneren of hij dit op het parkeerterrein heeft gedaan, of dat hij al rijdende uit de fles heeft gedronken.

Na het bezoek aan zijn huisarts en nadat verdachte wederom een hoeveelheid port heeft gedronken is verdachte met de auto door de binnenstad van [plaats] gereden. Hier heeft hij rond kwart over vijf een aanrijding gehad. Verdachte is met zijn auto opgebotst tegen de auto van [slachtoffer] die op het [adres] voor het rode verkeerslicht stond te wachten. [slachtoffer] is door deze zogenaamde kop-staart botsing ernstig gewond geraakt.

Van het ongeluk kan verdachte zich niets meer herinneren, maar een getuige van het ongeval heeft verklaard dat hij opeens hard hoorde remmen en dat hij direct daarna een klap hoorde. Het hof leidt hieruit af dat verdachte de stilstaande auto pas in een heel laat stadium heeft opgemerkt. Uit het bloedonderzoek blijkt dat verdachte 1.92 promille alcohol in zijn bloed had.

Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van roekeloos rijgedrag van verdachte, nu hij zich in zwaar beschonken toestand, tijdens het spitsuur met zijn auto in het verkeer heeft begeven en het hem volkomen is ontgaan dat er auto's stonden te wachten voor een rood verkeerslicht. Verdachte was zich terdege bewust van zijn alcoholprobleem, daarom had hij ook een afspraak met zijn huisarts en in het kader van die afspraak nam hij deel aan het verkeer. Het feit dat hij zowel op de heenweg als de terugweg in de auto ruime hoeveelheden alcohol heeft gedronken, getuigt ervan dat verdachte zeer lichtzinnig is omgesprongen met de risico's die verbonden zijn aan het besturen van een auto in (zwaar) beschonken toestand, zeker in de spits.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 23 januari 2009 te [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, het [adres], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te gaan rijden, door terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en niet tijdig een voor hem, voor het verkeerslicht, stilstaande auto op te merken en niet tijdig af te remmen en aldus zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarna vervolgens een aanrijding, zogenaamde kop/staart botsing, is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die voor hem stilstaande auto, bestuurd door [slachtoffer], waardoor genoemde [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 23 januari 2009 als verkeersdeelnemer door zwaar onder invloed

een kop/staart botsing te veroorzaken de op hem rustende zorgplicht ernstig veronachtzaamd. Verdachte heeft door zijn verkeersgedrag niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, maar ook ernstig letsel bij een ander veroorzaakt. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat de fysieke, psychische en maatschappelijke gevolgen nog altijd groot en wellicht zelfs onomkeerbaar zijn en dat deze diep ingrijpen in het leven van niet alleen hemzelf, maar ook van zijn gezin. Het hof neemt in aanmerking dat verdachte deze gebeurtenis weliswaar over zichzelf heeft afgeroepen, maar dat tevens kan worden aangenomen dat verdachte nimmer dergelijke gevolgen heeft beoogd. Verdachte heeft ter zitting zijn spijt betuigd.

Het hof heeft daarnaast gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van de rapportage van Reclassering Nederland, d.d. 24 januari 2011. Uit die rapportage komt naar voren dat verdachte - na eerder zijn alcoholprobleem enigszins gebagatelliseerd te hebben - nu de ernst van zijn alcoholprobleem onderkend heeft en inziet dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn gedrag. Sinds verdachte voor zichzelf heeft durven erkennen dat hij een verslavingsprobleem heeft, is de probleemhantering verbeterd en staat hij open voor hulp en ondersteuning. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij er alles aan zal doen om te zorgen dat dit niet weer gebeurt en dat hij ter ondersteuning momenteel medicatie krijgt voorgeschreven.

Het hof neemt ten aanzien van de strafmaat de landelijk geldende oriëntatiepunten als uitgangspunt. Voor de onderhavige situatie is gelet op de oriëntatiepunten - waarbij het hof uitgaat van roekeloos rijden - een gevangenisstraf, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel een passende bestraffing.

Het hof ziet echter aanleiding van de oriëntatiepunten af te wijken. Uit voormeld voorlichtingsrapport, alsmede het verhandelde ter terechtzitting van het hof, is gebleken dat verdachte gebukt gaat onder hetgeen gebeurd is en dat hij aan zijn alcoholprobleem werkt. Verdachte heeft vrij snel na het ongeval uit zichzelf contact gezocht met [slachtoffer] om zijn spijt te betuigen. Deze omstandigheden weegt het hof mee in de straftoemeting.

Het hof ziet in het bovenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - aanleiding om aan verdachte, conform de eis van de advocaat-generaal, een werkstraf van de maximale duur op te leggen. Daarnaast dient in verband met het gevaarzettende gedrag van verdachte op de weg, alsmede uit het oogpunt van verkeersveiligheid aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur te worden opgelegd. Gelet op de ernst van het feit ziet het hof in de door en namens verdachte gestelde omstandigheid dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als beeldhouwer geen aanleiding om de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk op te leggen. Het incidenteel nodig hebben van de auto voor zijn werk kan door anderen worden opgevangen en dient daarom minder zwaar te wegen dan het belang van de verkeersveiligheid.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaren;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. J.A.A.M. van Veen en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Aalders voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.