Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4477

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
24-000558-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte onder 1 en 2 wegens mishandeling tot werkstraf van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts beslist het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000558-10

Parketnummer eerste aanleg: 19-621139-09

Arrest van 14 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 22 februari 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en heeft op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het voornoemde vonnis van de politierechter, met als straf inhoudende een werkstraf van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 12 december 2009, te en in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend [benadeelde 1] in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of haar heeft geschopt, waardoor deze werd gewond en/of pijn ondervond;

2.

verdachte op of omstreeks 12 december 2009, te en in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend [benadeelde 2] in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of hem heeft geschopt, waardoor deze werd gewond en/of pijn ondervond.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

verdachte op 12 december 2009, te en in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend [benadeelde 1] in het gezicht en tegen het lichaam heeft gestompt en haar heeft geschopt, waardoor deze werd verwond en pijn ondervond;

2.

verdachte op 12 december 2009, te en in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend

[benadeelde 2] in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze werd verwond en pijn ondervond.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1 en 2 telkens: mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 12 december 2009 in [plaats] schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn buurvrouw en haar begeleider. Als gevolg van de gedragingen van verdachte hebben zij pijn en letsel ondervonden. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide personen.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, zij het voor een andersoortig delict. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof die veroordeling niet meegewogen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een werkstraf van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een passende en noodzakelijke bestraffing is. Het voorwaardelijk op te leggen deel dient als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig zal maken.

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van deze benadeelde partij in eerste aanleg deels is toegewezen en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw heeft gevoegd in het geding in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze wat de hoogte betreft niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 385,- zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 385,- die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

[benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering in eerste aanleg is toegewezen, behalve met betrekking tot de door de benadeelde partij tevens gevorderde wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij heeft door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze wat de hoogte betreft niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 300,- zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 300,- die door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot zestig uren, subsidiair dertig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst toe de vordering, ter zake van het bewezen verklaarde onder 1, van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van driehonderdvijfentachtig euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2009 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van driehonderdvijfentachtig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering, ter zake van het bewezen verklaarde onder 2, van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van driehonderd euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van driehonderd euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van S. van Krugten als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.