Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4475

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
24-002070-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte wegens poging tot diefstal met braak en diefstal tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien dit een ambulante behandeling bij een door de reclassering aan te wijzen instantie inhoudt, en tot een werkstraf van 140 uren. Voorts beslist het hof op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummers: 24-002070-10, 08-710722-07 (tul)

Parketnummer eerste aanleg: 19-620857-09

Arrest van 14 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 25 augustus 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [woonplaats], [adres],

volgens opgave van zijn raadsman thans verblijvende te [verblijfplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het voornoemde vonnis van de politierechter, met als straf inhoudende een werkstraf van 140 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, proeftijd 2 jaren, en als bijkomende beslissing inhoudende de tenuitvoerlegging van een de verdachte eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 12 september 2009, te en in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen in/uit een woning aan/nabij de [adres] enig goed dat van hun/zijn gading zou blijken te zijn, geheel althans ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), met braak en/of verbreking en/of inklimming, een of meer ruit(en) van die woning heeft vernield en/of een of meer ra(a)m(en) van die woning heeft geprobeerd te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op of omstreeks 12 september 2009, te en in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een schuur van/bij een woning aan/nabij de [adres], met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid gereedschap, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een of meer bewoner(s) van die woning, in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of die mededader(s), waarbij verdachte en/of die mededader(s) zich de toegang tot die plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of voormeld(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

verdachte op of omstreeks 12 september 2009, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, een hoeveelheid gereedschap heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl verdachte ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die/dat goed(eren) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

verdachte op of omstreeks 12 september 2009, te en in de gemeente [gemeente], zich met geweld heeft verzet tegen [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], zijnde (een) opsporingsambtenaren/opsporingsambtenaar van Regiopolitie Drenthe, die verdachte ingeval van ontdekking op heterdaad had(den) aangehouden verdacht van overtreding van artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en verdachte trachtte(n) ten spoedigste voor een hulpofficier van Justitie te geleiden en verdachte daartoe had(den) vastgegrepen en met zich trachtte(n) te voeren en aldus werkzaam was/waren in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, welk zich met geweld verzetten hierin bestond, dat verdachte met die ambtena(a)r(en) in gevecht/worsteling is gegaan/geraakt en/of heeft geschopt tegen een portier van de politieauto waarmee verdachte naar het politiebureau zou worden vervoerd.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Met name is niet bewezen dat de verdachte met de in de tenlastelegging genoemde verbalisanten in worsteling is gegaan, terwijl het schoppen tegen een portier van de politieauto zoals dit blijkens de processen-verbaal van bevindingen heeft plaatsgevonden niet zonder meer kan worden aangemerkt als 'zich verzetten', in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht, tegen de hiervoor bedoelde ambtenaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

verdachte op 12 september 2009, te en in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen uit een woning aan de [adres] enig goed dat van zijn gading zou blijken te zijn, toebehorende aan [slachtoffer], met braak, een ruit van die woning heeft vernield en een raam van die woning heeft geprobeerd te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op 12 september 2009, te en in de gemeente [gemeente] uit een schuur bij een woning aan de [adres], met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid gereedschap, toebehorende aan een of meer bewoners van die woning.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1.

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2. primair

diefstal.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 12 september 2009 ingeslopen in een schuurtje bij een woning in [plaats] en heeft daar een hoeveelheid gereedschap weggenomen. Vervolgens heeft verdachte met dit gereedschap getracht in te breken in een naastgelegen woning. Hij heeft daarbij onder meer een ruit geforceerd, maar hij is er niet in geslaagd binnen te komen. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de betrokkenen en hun tevens schade berokkend.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens strafbare feiten is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden de bewezen verklaarde feiten te begaan.

In beginsel rechtvaardigen voornoemde feiten en omstandigheden het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof slaat echter ook acht op het de verdachte betreffende reclasseringsadvies d.d. 27 januari 2011, waaruit blijkt dat de verdachte tot uitdrukking heeft gebracht zich te willen houden aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden. Hij heeft daartoe de benodigde verwijsbrieven voor de GGZ en de VNN reeds ondertekend. Deze omstandigheid brengt mee dat het hof de verdachte nog een laatste kans zal geven om aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te ontkomen.

Het hof komt - anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd - niet tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit, maar ziet - nu de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, waar om hierboven uiteengezette redenen van af wordt gezien - wat betreft de strafmaat reden om ten nadele van verdachte af te wijken van de vordering van advocaat-generaal. Het hof zal verdachte veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een werkstraf van 140 uren. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient tevens als stok achter de deur, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij zal als bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de verdachte zich onder toezicht zal stellen van de reclassering en zich zal houden aan de aanwijzingen van die instelling, ook wanneer dit een ambulante behandeling bij een nader door de reclassering te bepalen instantie zou inhouden.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 2 oktober 2007 met parketnummer 08-710722-07 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis in onherroepelijk geworden op 17 oktober 2007, op welke datum tevens de proeftijd is ingegaan. De officier van justitie heeft op 12 oktober 2009 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf omdat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd schuldig zou hebben gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Nu gebleken is dat verdachte de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf gelasten, met dien verstande dat het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze straf te geven, een werkstraf van 112 uren, subsidiair 8 weken hechtenis zal gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde;

verklaart het verdachte onder 1 en 2 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien dit een ambulante behandeling bij een door de reclassering aan te wijzen instantie inhoudt;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 2 oktober 2007, met parketnummer 08-710722-07) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtwaalf uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van acht weken zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van S. van Krugten als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.