Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4390

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
24-001982-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het opzettelijk telen en bewerken van ongeveer 800 hennepplanten veroordeeld tot een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001982-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-754932-09

Arrest van 10 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 12 juli 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Winkel,

advocaat te Drachten.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis, voor zover vatbaar voor hoger beroep, wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair

70 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover daarvoor vatbaar, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Voor zover voor dit hoger beroep van belang is aan de verdachte ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van november 2008 tot 19 maart 2009, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of nabij de [straat]) ongeveer 800, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij in de periode van november 2008 tot 19 maart 2009, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt (in een pand gelegen aan de [straat]) ongeveer 800 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders in de periode van november 2008 tot

19 maart 2009 in een door hen gehuurde loods ongeveer 800 hennepplanten geteeld en bewerkt. Verdachte en zijn mededaders hadden op het moment dat de hennepkwekerij door de politie werd ontdekt, reeds eenmaal geoogst. Die oogst is (deels) verkocht. Verdachte en zijn mededaders zijn tot het telen van hennep overgegaan vanwege het daarmee gepaard gaande geldelijk gewin.

Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting "Art. 3 onder B Opiumwet hennepkwekerijen" (500-1000 hennepplanten: oriëntatiepunt: 12 weken gevangenisstraf) is het hof van oordeel, dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden is.

Hier staat het volgende tegenover.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 december 2010 blijkt weliswaar, dat verdachte vóór november 2008 tweemaal ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, maar niet ter zake van het plegen van een drugsdelict.

Uit voormeld uittreksel blijkt voorts, dat de laatste veroordeling van verdachte dateert van 12 april 2010 ter zake van het op 24 maart 2009 plegen van een strafbaar feit (artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994) en dat hij na het plegen van het bewezen verklaarde feit niet wederom met justitie in aanraking is gekomen.

Aannemelijk is geworden dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd uit geldnood.

Verdachte is ZZP-er en is werkzaam in de renovatie van gevels. Hij heeft momenteel volop werk, dat hij voornamelijk verricht in Amsterdam. Naar zijn zeggen maakt hij lange werkdagen (van 04.45 uur tot 18.00 uur). In verband met die werkzaamheden heeft de verdediging verzocht om de door de politierechter opgelegde werkstraf van

140 uren te matigen door een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen.

Het hiervoor met betrekking tot de persoon van verdachte overwogene geeft het hof aanleiding af te zien van het opleggen van een gevangenisstraf en om aan verdachte

- overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen van gelijke duur als door de politierechter aan verdachte was opgelegd.

De ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden, waaronder het feit is gepleegd, rechtvaardigen niet de oplegging van een kortere onvoorwaardelijke werkstraf, zoals door de verdediging is verzocht.

Het hof is van oordeel, dat verdachte naast zijn werkzaamheden als zelfstandige in staat moet worden geacht een werkstraf van 140 uren te verrichten, zulks gelet op de termijn waarbinnen die werkstraf moet zijn verricht, te weten binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit arrest.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover voor hoger beroep vatbaar, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Heins, voorzitter, mr. Koolschijn en mr. Toeter, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Toeter buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.