Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP3455

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
24-001803-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van overtreding van artikel 197 Wetboek van Strafrecht, nu het delictsbestanddeel "terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden (…) dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard" niet kan worden bewezen. Tevens vrijspraak van de ten laste gelegde winkel-diefstal wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001803-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-621037-08

Arrest van 4 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 3 juli 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande dan wel in het buitenland,

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf. Door de politierechter zijn tevens beslissingen genomen over het onder verdachte in beslag genomen voorwerp en over de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde en voor het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van een week. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het onder verdachte in beslag genomen paar schoenen verbeurd zal verklaren en de tenuitvoerlegging zal bevelen van een maand gevangenisstraf, de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Almelo van 17 maart 2008.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na toelating van de in eerste aanleg gevorderde wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 9 augustus 2008 te [plaats 1], in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard (zijnde de beschikking d.d. 26 oktober 2006 van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie waarbij verdachte tot ongewenst vreemdeling is verklaard, welke beschikking is gepubliceerd in de Staatscourant nr. 220 d.d. 10 november 2006);

2.

hij op of omstreeks 08 augustus 2008 te [plaats 2], althans in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat:

hij op of omstreeks 08 augustus 2008 te [plaats 2], althans in de gemeente [gemeente] opzettelijk een paar schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren) te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toege-eigend.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte werd op 9 augustus 2008 aangehouden wegens overtreding van de Wet op de Identificatieplicht. Bij de vaststelling van zijn identiteit bleek uit informatie van de vreemdelingendienst dat verdachte tot ongewenst vreemdeling was verklaard en rees de verdenking dat hij derhalve (tevens) artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht zou hebben overtreden, zoals onder 1 ten laste is gelegd.

Voor een bewezenverklaring van laatstgenoemd strafbaar feit is evenwel vereist dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Verdachte zelf stelt daarvan geen weet te hebben gehad. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard pas op de hoogte te zijn geraakt van de daartoe strekkende beslissing, toen hij na de hiervoor genoemde aanhouding in vreemdelingenbewaring werd gesteld.

Uit de inhoud van het dossier leidt het hof af dat verdachte op 10 oktober 2006 door de korpschef van de Regiopolitie Twente is gehoord over een voorstel tot ongewenstverklaring. Niet blijkt echter dat de (definitieve) beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 26 oktober 2006 aan verdachte is uitgereikt. Verdachte heeft daarover bij de politierechter verklaard: "Ik heb geen brief ontvangen, waarin staat dat ik tot ongewenst vreemdeling ben verklaard. Wellicht heb ik die brief wel gehad, maar heb ik de inhoud niet begrepen."

Conform de vordering van de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er geen wettig bewijs is voor het bij de wettelijke delictsomschrijving behorende bestanddeel "terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden (...) dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard". Dit brengt mee dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde

Terwijl verdachte zich op het politiebureau te [plaats 1] bevond ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, viel het verbalisanten op dat hij een kennelijk (zeer) nieuw paar schoenen droeg. Eén van hen heeft vervolgens de schoenenzaak [slachtoffer] te [plaats 1] gebeld, waar verdachte eerder die dag was aangehouden in verband met de hiervoor genoemde overtreding van de Wet op de Identificatieplicht. Bij dat filiaal bleek echter niet van vermissing van een dergelijk paar schoenen. Uit de aldaar verkregen informatie kwam tevens naar voren dat de codering van de schoenen van verdachte erop duidde dat deze afkomstig waren van het Scapinofiliaal te [plaats 2]. Bij onderzoek in dat filiaal werd een lege schoenendoos aangetroffen, waarin - gelet op de codering - de door verdachte gedragen schoenen zich hadden moeten bevinden. Verdachte stelt de betreffende schoenen enkele dagen eerder op een markt in [plaats 3] te hebben gekocht.

Uit het vorenstaande volgt dat er sprake is van slechts één bewijsmiddel voor het onder 2 ten laste gelegde. Voorts is niet duidelijk wanneer de schoenen uit de doos zouden zijn verdwenen, zodat niet is uit te sluiten dat de verklaring van verdachte klopt. Het hof zal verdachte daarom ook van dat feit vrijspreken.

Teruggave

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van het onder hem in beslag genomen paar schoenen, kleur zwart, merk Ecco, maat 42, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Tenuitvoerlegging (parketnummer 08-800143-08)

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo d.d. 17 maart 2008 met het hierboven vermelde parketnummer, is verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van een jaar. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 1 april 2008, op welke datum tevens de proeftijd is ingegaan. De officier van justitie heeft op 2 juni 2009 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd schuldig zou hebben gemaakt aan de ten laste gelegde feiten met het oorspronkelijke parketnummer 19-621037-08.

Nu verdachte ter zake van deze feiten zal worden vrijgesproken, wijst het hof de vordering van de officier van justitie af.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- een paar schoenen, kleur zwart, merk Ecco, maat 42;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van een maand de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Almelo d.d. 17 maart 2008.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. E. de Witt en mr. J.A.A.M. van Veen, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier.