Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP3452

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
24-000322-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor ontuchtige handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met twee meisjes van beneden de zestien jaar met verstandelijke beperkingen, meermalen gepleegd.

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat - gelet op de aard en de ernst van de feiten - niet kan worden volstaan met oplegging van een (nagenoeg) volledig voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van de wettelijk toegestane maximale duur. Bij dergelijke feiten past uit het oogpunt van vergelding slechts een gevangenisstraf van substantiële duur, zij het dat het hof bij de bepaling van die duur rekening heeft gehouden met een aantal (matigende) factoren. Verdachte is first offender, heeft gedurende een periode van elf maanden elektronisch toezicht ondergaan, houdt zich aan zijn afspraken met de reclassering en moet in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar worden verklaard voor het bewezen verklaarde. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000322-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-670545-07

Arrest van 4 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 29 januari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen en daarbij maatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen, waarvan 447 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht. Aan die proeftijd dient het hof de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich onder toezicht blijft stellen van de reclassering. Daarnaast heeft de advocaat-generaal oplegging gevorderd van een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen gevangenisstraf. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen zal toewijzen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 15 november 2006, in de gemeente [gemeente], in elk geval in het arrondissement Groningen, met [slachtoffer 1] (geboren op 14 december 1991), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte in genoemde periode, (telkens)

- zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht, en/of

- zijn vinger(s) in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht, en/of

- de/een (blote) borst(en) van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of betast en/of in die (blote)

borst(en) geknepen, en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 8 juli 2006, in de gemeente [gemeente], in elk geval in het arrondissement Groningen, met [slachtoffer 2] (geboren op 9 juli 1990), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte in genoemde periode, (telkens)

- zijn penis in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht, en/of

- gelikt aan de vagina van die [slachtoffer 2], en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht, en/of

- de/een (blote) borst(en) van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of betast en/of beknepen en/of

gelikt, en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht, en/of

- een hand van die [slachtoffer 2] gepakt en/of (vervolgens) die hand naar zijn (blote) penis

gebracht;

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 15 november 2006, in het arrondissement Groningen, met [slachtoffer 1] (geboren op [1991]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte in genoemde periode

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht, en

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht, en

- de (blote) borsten van die [slachtoffer 1] aangeraakt en betast en in die (blote) borsten

geknepen;

2.

hij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 8 juli 2006, in het arrondissement Groningen, met [slachtoffer 2] (geboren op [1990]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte in genoemde periode

- zijn penis in de mond en de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht, en

- gelikt aan de vagina van die [slachtoffer 2], en

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht, en

- de (blote) borsten van die [slachtoffer 2] aangeraakt en betast en beknepen en gelikt, en

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht, en

- een hand van die [slachtoffer 2] gepakt en (vervolgens) die hand naar zijn (blote) penis

gebracht;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

1 en 2, telkens:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Omtrent de persoon van verdachte is op 5 maart 2008 door dr. F. Luteijn, klinisch psycholoog, in opdracht van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank te Groningen, een psychologische rapportage uitgebracht. De rapporteur concludeert dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Deze was reeds aanwezig ten tijde van hetgeen hem ten laste is gelegd. Verdachte heeft geen ziekelijke stoornis der geestvermogens.

Op grond van de lichte verstandelijke beperking acht de rapporteur verdachte in lichte mate verminderd toerekeningsvatbaar voor het hem ten laste gelegde.

Het hof verenigt zich met voormelde conclusie en maakt die tot de zijne. Het hof is derhalve van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate. Gelet hierop en voorts in aanmerking nemende dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte, aan het begin van de bewezen verklaarde periode 41 jaar oud, heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan vergaande seksuele handelingen, waaronder volledige seksuele gemeenschap, met een tweetal buurtgenootjes van - destijds - 14 en 15 jaar oud. Beide meisjes hebben verstandelijke beperkingen. Uit de stukken blijkt dat zij (het huis van) verdachte en zijn echtgenote opzochten, omdat zij werden aangetrokken door hun pasgeboren baby. Voorts deelden verdachte en de beide meisjes een interesse voor vissen in en aan het [kanaal]. Daarnaast zochten en vonden zij bij verdachte en zijn echtgenote aandacht voor hun dagelijkse beslommeringen.

De ontmoetingen tussen verdachte en de meisjes kregen echter gaandeweg een steeds explicieter wordende seksuele lading, waartoe verdachte - gelet op de verklaringen van de meisjes - druk op hen uitoefende, hun afwijzingen negeerde en daarover soms boos werd. Zoals ook door de raadsman is gesuggereerd, valt niet uit te sluiten dat nieuwsgierigheid naar dat tot dan toe onbekende aspect in hun bestaan bij de (puber)meisjes een rol heeft gespeeld in de continuering van de contacten - al dan niet tegen wil en dank - met verdachte. Dat neemt echter geenszins weg dat de verantwoordelijkheid voor hetgeen is voorgevallen geheel en al bij verdachte dient te worden gelegd. Ondanks de (ook) bij hem vastgestelde verstandelijke beperkingen was er door het grote leeftijdsverschil en zijn positie als huisvader sprake van fysiek en psychisch overwicht op de beide meisjes. Van verdachte mocht en kon worden verwacht dat hij zich daarvan bewust was.

De wetgever heeft er voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen, omdat jeugdigen tegen dergelijk handelen moeten worden beschermd, mede omdat zij de gevolgen daarvan nog niet kunnen overzien. Het was verdachte, die tijdig had moeten beseffen dat zijn gedragingen volstrekt ongeoorloofd waren en - zeker op termijn - schadelijk voor de ontwikkeling van de meisjes. Dat dit laatste zich heeft gerealiseerd blijkt uit de toelichting die door en namens de meisjes is gegeven op hun vorderingen als benadeelde partij. Er is - onder meer - sprake van schaamte, woede, een verwrongen mens- en maatschappijbeeld, gevoelens van onveiligheid en emotionele instabiliteit.

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat - gelet op de aard en de ernst van de feiten - niet kan worden volstaan met oplegging van een (nagenoeg) volledig voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van de wettelijk toegestane maximale duur. Bij dergelijke feiten past uit het oogpunt van vergelding en normhandhaving slechts een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel van substantiële duur dient te zijn.

Bij de bepaling van die duur heeft het hof gelet op het feit dat verdachte, zoals blijkt uit het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 december 2010, een zogeheten 'first offender' is. Er is geen sprake van eerdere of latere justitiecontacten.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat verdachte in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht voor de bewezen verklaarde feiten en dat hij, na de schorsing van zijn inbewaringstelling, gedurende een periode van elf maanden onder elektronisch toezicht heeft gestaan, met alle beperkingen in zijn bewegingsvrijheid van dien. Uit het voortgangsverslag van de Reclassering Nederland te Groningen van

13 januari 2011 blijkt dat verdachte zich, zowel tijdens de ET-periode als tijdens de frequente contacten met de reclassering in de jaren daarna, coöperatief en begeleidbaar heeft opgesteld en dat hij zich aan de voorwaarden en afspraken heeft gehouden.

De hiervoor genoemde factoren zijn van - matigende - invloed op de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Zij zijn echter niet van invloed op het eerder weergegeven oordeel van het hof dat alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenis-straf recht doet aan de aard en de ernst van de feiten. Voorts heeft het hof uit de stukken en hetgeen daaromtrent door verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht de indruk verkregen dat verdachte weliswaar in theorie weet dat hij zijn gedragingen had moeten nalaten, maar ook dat hij zich in wezen slachtoffer voelt van de meisjes en moeite heeft zijn machtsmisbruik intrinsiek te erkennen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van na te melden duur en modaliteit. Met het voorwaardelijk opgelegde deel beoogt het hof verdachte ervan te weerhouden opnieuw tot soortgelijke gedragingen over te gaan, maar vooral om hem - door het opleggen van een bijzondere voorwaarde - steun te bieden in het functioneren van hemzelf en - daarmee - dat van zijn gezin.

Benadeelde partij I

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van

€ 3.537,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening.

Vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij de door de rechtbank toegewezen schade ad € 3.537,40 heeft geleden. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet weersproken. De vordering kan derhalve worden toegewezen tot voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening.

Benadeelde partij II

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken, dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening.

Vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij de door de rechtbank toegewezen schade ad € 3.000,- heeft geleden. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet weersproken. De vordering kan derhalve worden toegewezen tot voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van de toegewezen bedragen ten behoeve van voornoemde slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vijf maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van drieduizend vijfhonderdzevenendertig euro en veertig cent;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizend vijfhonderdzevenendertig euro en veertig cent ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenveertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van drieduizend euro;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizend euro ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermelde bedragen, de verplichting om te voldoen aan de vorderingen van de benadeelde partijen komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vorderingen van de benadeelde partijen heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier.