Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP2734

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
24-000364-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij van een drietal feiten (misdrijven tegen de zeden), nu het hof niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de persoon is geweest die deze feiten heeft gepleegd. Het hof spreekt verdachte tevens vrij van het vierde feit (artikel 247 Sr.) nu het hof van oordeel is dat het samen met een minderjarige aaien van een paard niet kan worden gekwalificeerd als een ontuchtige handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000364-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-880247-08

Arrest van 28 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 29 januari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte onder 1. subsidiair, 2. subsidiair, 3. en 4. ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 422 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe te wijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 8 juni 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met een persoon genaamd [benadeelde] (geboren op [2001]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte (onder meer) zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 8 juni 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met een persoon genaamd [benadeelde], geboren op [2001], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande (onder meer) uit het ontuchtig aanraken/betasten van de vagina van die [benadeelde];

2.

hij op of omstreeks 7 juni 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het aanraken/betasten van de (onder)rug van die [slachtoffer 1] (in de richting van, althans in de onmiddellijke nabijheid van, het achterwerk) en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte voormelde handeling(en) zodanig snel en/of plotseling en/of onverhoeds heeft gepleegd (door achter die in een boek bladerende [slachtoffer 1] te gaan staan en/of (vervolgens) - terwijl zij met de rug naar hem, verdachte, toestond - voormelde handeling(en) te plegen) dat die [slachtoffer 1] niet in staat was die handeling(en) af te weren en/of daaraan weerstand te bieden;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte.

hij op of omstreeks 7 juni 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], door misleiding, te weten door zich voor te doen als iemand die niet wist waar de [straat] te [plaats] gelegen was en/of hulp behoefde bij het zoeken naar die straat en/of dientengevolge binnen in de woning van die [slachtoffer 1] even moest bellen of in een stratenboek moest kijken (waardoor hij zich in de onmiddellijke nabijheid van [slachtoffer 1] kon manoeuvreren), een persoon, [slachtoffer 1], geboren op [1991], waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het ontuchtig aanraken en/of strelen van de rug van die [slachtoffer 1] (over de onderrug in de richting van, althans in de onmiddellijke nabijheid van, het achterwerk), te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;

3.

hij op of omstreeks 7 juni 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de [straat] aldaar (in de deuropening van zijn woning), althans op een niet openbare plaats (te weten de deuropening en/of de hal van zijn woning) waarbij (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 2] en/of haar 9-jarig dochtertje [slachtoffer 3]) haars/hunner ondanks tegenwoordig was/waren, in een (zeer) strak en/of weinig verhullend (loop/lycra) broekje met daarin duidelijk zichtbaar een erectie heeft bevonden en/of (vervolgens) met zijn hand in die broek heeft gezeten en/of (met) zijn hand over zijn penis heen heeft bewogen/gestreeld en/of de rand van de broek naar voren en/of naar beneden heeft getrokken zodat hij, verdachte, naar zijn penis kon kijken;

4.

hij op of omstreeks 7 juni 2008 in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 4], geboren op [1996], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het vastpakken van de hand van die [slachtoffer 4] en/of het aaien van de hand van die [slachtoffer 4] en/of het met de hand van die [slachtoffer 4] (welke hand hij, verdachte, op dat moment vast had) maken van strelende bewegingen op/over een paard en/of het aanraken van de billen van die [slachtoffer 4].

Vrijspraak

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van al hetgeen hem is ten laste gelegd dient te worden vrijgesproken, nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het hof overweegt ten aanzien van feit 1. primair en subsidiair als volgt.

Uit de stukken blijkt dat de minderjarige meisjes [benadeelde] en [slachtoffer 5] op 8 juni 2008 zijn benaderd door een onbekende man. Deze onbekende man heeft de beide meisjes opgetild en bij een van deze meisjes een ontuchtige handeling verricht. Uit de verklaringen van deze beide meisjes komt geen eenduidig signalement van de dader naar voren. Bovendien is het opgegeven signalement zodanig algemeen dat dit niet enkel en alleen op verdachte kan slaan. Het hof is daarom van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is voor het feit dat het verdachte is geweest die op 8 juni 2008 de beide meisjes heeft benaderd. De ter zitting van het hof afgelegde getuigenverklaring maakt dit niet anders. Het hof zal verdachte derhalve van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Het hof overweegt ten aanzien van feit 2. primair en subsidiair als volgt.

Uit de stukken blijkt dat er op 7 juni 2008 een man aanbelt bij de woning van de familie [naam]. Dochter [naam] staat de man te woord en laat hem binnen om hem behulpzaam te zijn bij het vinden van een straat. Ook dochter [slachtoffer 1] helpt hierbij. Als de meisjes in het stratenboek de betreffende straat proberen te vinden voelt [slachtoffer 1] dat de man haar over de onderrug streelt. De beide meisjes zijn - nadat ze aangifte hebben gedaan - op het politiebureau uitgenodigd om deel te nemen aan een fotoconfrontatie. [naam] geeft tijdens de fotoconfrontatie aan dat de foto van verdachte [verdachte] lijkt op de man die op 7 juni 2008 bij hun in de woning is geweest. [slachtoffer 1] geeft aan dat ze de verdachte niet herkent op de haar getoonde foto's. Het hof is - gelet op de uitkomsten van de fotoconfrontatie - van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die op 7 juni 2008 in de woning van de familie [naam] is geweest. Het hof zal verdachte derhalve ook van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspreken

Het hof overweegt ten aanzien van feit 3. als volgt.

Op 16 juni 2008 wordt aangifte gedaan door [slachtoffer 2] Zij verklaart dat ze op 7 juni 2008 bij verdachte aanbelt om als Jehovagetuige het Evangelie te verkondigen. Wanneer zij met verdachte in gesprek is, ziet zij dat verdachte - die een strakke fietsbroek draagt - met zijn hand in zijn broek heen en weergaande bewegingen maakt over zijn geslachtsdeel. Verdachte erkent dat hij op 7 juni 2008 in gesprek is geweest met een Jehovagetuige. Hij ontkent echter dat hij met zijn hand in zijn broek is geweest en heen en weer gaande bewegingen over zijn geslachtsdeel heeft gemaakt. Nu voor de kern van de tenlastelegging - te weten de hiervoor genoemde bewegingen - maar één bewijsmiddel voorhanden is, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde gedraging heeft verricht. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 3. ten laste gelegde.

Het hof overweegt ten aanzien van feit 4. als volgt.

[slachtoffer 4] verklaart dat zij op 7 juni 2008 in de middag op de manege te [plaats] is lastiggevallen door een haar onbekende man. Ze verklaart dat deze man haar billen heeft aangeraakt en dat hij haar hand heeft vastgepakt en hij met haar hand in zijn hand het paard heeft geaaid.

Verdachte verklaart dat hij in de ochtend van 7 juni 2008 inderdaad bij de manege in [plaats] is geweest, maar hij ontkent daar ook die middag te zijn geweest.

[naam] - de uitbater van de manege - verklaart dat hij in de ochtend van 7 juni 2008 een man heeft gezien waarvan het signalement overeenkomt met het door [slachtoffer 4] opgegeven signalement. [naam] kent deze man van gezicht, omdat [naam] deze man eerder al eens van de manege heeft weggestuurd. (Welk gegeven ook door verdachte wordt erkend.) Nu [naam] verklaart dat hij deze zelfde man ook die middag op de manege bij de stands waar de paarden staan heeft gezien en de echtgenote van [naam] een man aldaar heeft gezien met hetzelfde signalement acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die op 7 juni 2008 bij [slachtoffer 4] in de stands heeft gestaan.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 7 juni 2008 de billen van [slachtoffer 4] heeft aangeraakt. Met de advocaat-generaal is hof van oordeel dat, nu [slachtoffer 4] pas later met dit deel van het verhaal is gekomen, niet uit te sluiten valt dat dit deel van het verhaal tot stand is gekomen onder invloed van bepaalde, wellicht onbedoeld gedane, suggesties van personen in haar omgeving en onder invloed van geruchten en geplaatste berichten op de internetsite '[sitenaam]'. Het hof acht derhalve niet overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van het aanraken van de billen door verdachte en zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van het aaien van het paard is het hof van oordeel dat deze handeling - hoewel dit gezien de omstandigheden als een opmerkelijke handeling kan worden gezien - niet kan worden gekwalificeerd als zijnde een ontuchtige handeling, zodat verdachte ook van dat laatste onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair, 3. en 4. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. G.M. Meijer-Campfens voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.