Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP2250

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
24-002351-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ7561, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte wegens doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

Uit het feit dat het steekkanaal schuin voetwaarts en middenwaarts gericht was leidt het hof af dat de steekwond - gerekend vanaf het hoofd richting de voeten in een staande positie - van boven naar onderen is toegebracht. Het hof acht het - gelet op het van boven naar onderen lopende steekkanaal - niet aannemelijk dat dit letsel door een val of sprong in het mes (zoals verdachte verklaart) is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002351-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-670316-08

Arrest van 27 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 14 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein,

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, d.d. 16 juli 2010 en 13 januari 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis en in verzekering heeft doorgebracht.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

primair:

hij op of omstreeks 9 augustus 2008 in de gemeente [gemeente], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes gestoken, gesneden en/of geraakt, althans met dat opzet een mes op zodanige wijze vastgehouden en/of gehanteerd dat dat mes (gedeeltelijk) in het lichaam van die [slachtoffer] terecht is gekomen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 9 augustus 2008 in de gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een slagaderlijke bloeding) heeft toegebracht, door met dat opzet die [slachtoffer] in het lichaam te steken, te snijden en/of te raken, althans door met dat opzet een mes op zodanige wijze vast te houden en/of te hanteren dat dat mes (gedeeltelijk) in het lichaam van die [slachtoffer] terecht is gekomen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 9 augustus 2008 in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een mes heeft gestoken, gesneden en/of geraakt, althans een mes op zodanige wijze heeft vastgehouden en/of gehanteerd dat dat mes (gedeeltelijk) in het lichaam van die [slachtoffer] terecht is gekomen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft - kort gezegd - betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van al hetgeen hem is ten laste gelegd nu het ten laste gelegde 'opzet' niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte niet opzettelijk met het mes heeft gestoken, maar dat het slachtoffer per ongeluk door het mes is geraakt.

Op basis van de stukken gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte ([verdachte]) en het slachtoffer ([slachtoffer]) kennen elkaar via een gezamenlijke vriendin, te weten [vriendin verdachte]. [vriendin verdachte] en [verdachte] hebben een relatie. [slachtoffer] is in de ochtend van 9 augustus 2008 bij [vriendin verdachte] op bezoek. Hij heeft gehoord dat [verdachte] [vriendin verdachte] heeft geslagen. Hierover is [slachtoffer] boos en hij belt een aantal keren met [verdachte]. Hij wil - aldus [verdachte] - een gesprek met hem hierover. Nadat [verdachte] meermalen door [slachtoffer] is gebeld en [slachtoffer] hem telefonisch heeft bedreigd, is [verdachte] naar de woning van [vriendin verdachte] gereden om met [slachtoffer] te praten. Bij de woning aangekomen ontstaat er buiten de woning een schermutseling tussen [verdachte] en [slachtoffer]. [slachtoffer] gaat daarna weer de woning in en verdachte volgt hem. De schermutseling wordt dan in de woning van [vriendin verdachte] voortgezet. Op het moment dat de beide ruziënde mannen de woning binnenkomen sluit [vriendin verdachte] zich samen met haar zoontje op in het toilet. Op enig moment loopt [slachtoffer] steekletsel op, als gevolge waarvan hij is komen te overlijden. Het steekletsel is veroorzaakt door een mes dat [verdachte] op dat moment ter hand heeft gehad. [vriendin verdachte] is daarvan geen getuige geweest.

Over de toedracht van het ontstaan van het steekletsel heeft verdachte ter terechtzitting van het hof van 16 juli 2010 een verklaring afgelegd. Het hof leidt uit die verklaring het volgende af.

In de woning probeert [verdachte] - zoals hij zelf zegt - een gesprek aan te gaan met [slachtoffer], echter [slachtoffer] reageert nergens op en loopt zoekend in de woning rond. [verdachte] krijgt hierdoor het idee dat [slachtoffer] misschien een mes of iets dergelijks zoekt en uit voorzorg pakt [verdachte] een mesje dat - zoals hij weet - bij de trap ligt. Op het moment dat [verdachte] dit mesje in zijn hand heeft, staat [slachtoffer] bij de computer met de rug naar [verdachte] toe. [verdachte] roept naar [slachtoffer] en slaat met zijn vuist - waarin hij het mes heeft - op de tafel. Hierdoor snijdt [verdachte] zichzelf in zijn hand.

Op het moment dat [verdachte] het wondje aan zijn hand onderzoekt ziet hij opeens [slachtoffer] op hem afkomen. Op het moment dat [slachtoffer] op [verdachte] afspringt, springt hij in het mes dat [verdachte] nog in zijn hand heeft. Hierdoor raakt [slachtoffer] gewond.

Het hof stelt vast dat voormelde verklaring van verdachte substantieel afwijkt van eerdere verklaringen van verdachte die hij bij de politie heeft afgelegd omtrent de toedracht. De ene keer geeft verdachte aan dat hij, nadat hij naar de gang was gelopen en een mesje had gepakt, zag dat [slachtoffer] vanuit de woonkamer op hem kwam afspringen en als het ware in het mes sprong dat verdachte vasthield (verhoor politie, d.d. 9 augustus 2008) en later verklaart verdachte dat hij [slachtoffer] - die bij de computer stond en met de rug naar hem toestond - heeft vastgepakt en aan hem heeft getrokken waarna [slachtoffer] zich omdraaide en in het mes viel (verhoor politie, d.d. 10 augustus 2008). Op 21 augustus 2008 verklaart verdachte bij de politie dat hij [slachtoffer] die bij de computer stond heeft vastgepakt, [slachtoffer] heeft omgedraaid en dat [slachtoffer] toen, mede doordat verdachte zelf over een stoel struikelde, in het mes is gevallen. Ter terechtzitting van het hof, d.d. 16 juli 2010 verklaart verdachte echter - zoals hiervoor al uit een is gezet - dat hij bij de tafel stond en dat [slachtoffer] door op verdachte af te springen in het mes is gesprongen.

Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte direct dan wel kort na het incident aan verschillende getuigen heeft verteld dat hij [slachtoffer] heeft geprikt/gestoken. Uit geen van de verklaringen van die getuigen blijkt dat verdachte tegenover hen heeft gesproken over een ongelukkig val van die [slachtoffer] in het mes.

[vriendin verdachte] verklaart dat verdachte haar door de toiletdeur toeriep: 'Doe open, doe open, bel 112, ik heb gestoken'. Nadat verdachte de woning heeft verlaten heeft hij dezelfde dag contact opgenomen met twee vrienden. Omstreeks 10.00 uur die ochtend - dus vrijwel meteen na het incident - belt verdachte met een vriend genaamd [naam] en spreekt met hem af. Bij hem in de woning aangekomen vertelt verdachte dat hij 'die jongen geprikt heeft'. [naam] verklaart dat verdachte letterlijk tegen hem zei: 'Hij zei dat hij het mes had gepakt en die jongen had geprikt'. Hierna heeft verdachte nog een gesprek met een andere vriend, genaamd [naam]. [naam] verklaart eveneens dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij (verdachte) [slachtoffer] eenmaal heeft gestoken. Ter toelichting heeft verdachte tegenover [naam] daar nog aan toegevoegd dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging.

In het rapport betreffende het pathologisch onderzoek van [slachtoffer] van het NFI, d.d. 13 augustus 2008, wordt aangegeven: 'Bij sectie werd een steekletsel geconstateerd in de borst, zoals door steken, bijvoorbeeld met een mes, kan zijn opgeleverd. Van hieruit liep een iets schuin voetwaarts en middenwaarts gericht steekkanaal tot in de aorta (opstijgende deel), hetgeen gepaard ging met een slagaderlijke bloeduitstorting, deels in de omgevende weefsels en deels in het hartzakje. De steekkanaallengte bedroeg (gemeten bij het lijk in gestrekte houding en ruggelings gelegen) circa 12 centimeter.' Uit het feit dat het steekkanaal schuin voetwaarts en middenwaarts gericht was leidt het hof af dat de steekwond - gerekend vanaf het hoofd richting de voeten in een staande positie - van boven naar onderen is toegebracht. Het hof acht het - gelet op het van boven naar onderen lopende steekkanaal - niet aannemelijk dat dit letsel door een val of sprong in het mes (zoals verdachte verklaart) is ontstaan.

Doordat het NFI in haar hiervoor genoemde rapportage heeft aangegeven dat het steekkanaal een lengte had van 12 centimeter en het aldus verdachte gebruikte mes een lemmet heeft van 8 centimeter is er door het hof een aanvullend rapport opgevraagd bij het NFI. In dit aanvullende rapport van het NFI, d.d. 13 oktober 2010, wordt aangegeven dat door krachtig en volledig insteken van het lemmet van een mes door de elasticiteit van de weefsels de lichaamswand kan worden ingedrukt, hetgeen kan resulteren in een lengte van het steekkanaal dat groter is dan de lengte van het ingestoken lemmet. Het hof leidt uit deze rapportage af dat de wond die [slachtoffer] heeft opgelopen met kracht moet zijn toegebracht. Ook dit maakt dat het hof het niet aannemelijk acht dat de verwonding door een val of sprong is ontstaan.

Gelet op de onderzoeksresultaten van het NFI in samenhang gezien met hetgeen eerder hiervoor is overwogen, te weten de niet consistente verklaringen van verdachte, het niet tegen zijn vriendin en vrienden zeggen dat [slachtoffer] door een ongelukkige val met het mes is geraakt en het feit dat het steekkanaal schuin voetwaarts gericht was - welk letsel naar het oordeel van het hof niet past in de lezing van verdachte -, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een mes in zijn borst heeft gestoken, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 9 augustus 2008 in de gemeente [gemeente], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: doodslag.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door slachtoffer [slachtoffer] met een messteek om het leven te brengen. De steek met het mes is het slachtoffer vrijwel direct fataal geworden. De gewelddadige reactie van de zijde van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het leven van een ander. Door deze doodslag is de rechtsorde ernstig geschokt. Dergelijk gewelddadig optreden is zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Aan de familie

- waaronder de kinderen van het slachtoffer - en de vrienden van het slachtoffer is onherstelbaar groot verlies en verdriet toegebracht, zoals ook treffend is verwoord in de slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 12 januari 2011 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. Deze veroordelingen zijn echter niet van recente datum en deels niet onherroepelijk.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf ter afdoening in aanmerking komt ter vergelding van de inbreuk op de rechtsorde en het leed dat verdachte de nabestaanden van het slachtoffer heeft aangedaan. Het hof is van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren uit het oogpunt van vergelding niet alleen gerechtvaardigd, maar ook passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. G.J. Niezink, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Niezink voornoemd, buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.