Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP1971

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
24-001688-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens het opzettelijk een voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen voorziene aangifte niet doen, waardoor de fiscus is benadeeld, veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001688-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-990006-10

Arrest van 25 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 22 maart 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op één of meer tijdstipp(en) in of omstreeks de periode 01 april 2006 tot en met 19 juli 2008 in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] en/of de gemeente [gemeente 3], althans elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen over het jaar 2005, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode 01 april 2006 tot en met 19 juli 2008 in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen over het jaar 2005, niet heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft opzettelijk geen aangifte gedaan voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen over het jaar 2005, waardoor de fiscus is benadeeld.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 november 2010 blijkt, dat verdachte eerder ter zake van het plegen van (andersoortige) strafbare feiten is veroordeeld tot geldboetes.

Ter terechtzitting heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen. Gezien zijn beperkte financiële draagkracht heeft hij ter terechtzitting verzocht om een werkstraf. Hij is in staat deze straf te verrichten.

Gelet op het voorgaande is de oplegging van een werkstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk - zoals gevorderd door de advocaat-generaal - een passende sanctie. De deels voorwaardelijk op te leggen straf met een proeftijd van twee jaren dient ook als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal begaan.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. H. Heins en mr. W. van Houtum, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.