Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP1793

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
24-000996-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte veroordeeld ter zake van rijden onder invloed tot een geldboete van € 950,--, subsidiair te vervangen door 19 dagen hechtenis, welke in termijnen betaald zal worden en ontzegt aan verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 8 maanden. Het hof heeft op grond van twee getuigenverklaringen van verbalisanten ter terechtzitting van het hof vastgesteld dat uit het dossier en de (ontkennende) verklaring van verdachte geen andere aannemelijke verklaring kan worden gevonden voor de aanwezigheid van de auto van verdachte en dat het derhalve niet anders kan zijn dan dat verdachte als bestuurder zijn auto ter plaatse heeft geparkeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000996-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-401928-08

Arrest van 21 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 15 april 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 25 november 2009 en 7 januari 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 950,--, subsidiair te vervangen door 19 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist was, en er sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 825 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft ontkend dat hij op 27 oktober 2008 onder invloed van alcohol in zijn auto heeft gereden. Zijn verklaring luidt - zakelijk weergegeven - als volgt: Hij heeft die middag rond 15.00 uur of 16.00 uur zijn auto geparkeerd op de plek waar de verbalisanten hem hebben aangetroffen. Hij is toen de kroeg ingegaan. Daar heeft hij inderdaad alcohol gedronken. Vlak bij de plaats waar hij zijn auto had geparkeerd is een hangplek voor jongeren. Hij ontmoette daar twee bekenden van hem en hij besloot toen zijn autoradio aan te zetten. Hij heeft zijn auto gestart en de radio aangezet. Hij heeft toen, zonder te rijden, gas gegeven om te voorkomen dat de accu leeg zou raken. De verbalisanten hebben op dit geluid gereageerd.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat het navolgende vast.

Op 27 oktober 2008 waren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in verband met een feestmarkt belast met toezicht in het centrum van [plaats]. Omstreeks 20.43 uur zagen zij op de [straat], nabij het kermisterrein, in [plaats] de personenauto van verdachte staan. Zij hoorden dat het gas meerdere malen achtereen open ging. Achter het stuur troffen zij verdachte aan.

In verband met het vermoeden dat verdachte alcohol had gedronken is op straat een voorlopig onderzoek gehouden waarbij verdachte een zogenaamde "F" blies. Verdachte heeft vervolgens meegewerkt aan een ademanalyse waarbij is vastgesteld dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 825 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg.

Ter zitting van het hof van 7 januari 2011 zijn voornoemde verbalisanten als getuigen gehoord. Uit hun verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat zij gedurende hun dienst die aan het eind van de middag aanving en eindigde rond 02.00 uur die nacht, zowel met een dienstvoertuig als te voet belast waren met de surveillance in het gebied waar onder andere de kermis werd gehouden. Zij zijn die middag en avond herhaalde malen langs de plek gekomen waar later verdachte in zijn geparkeerde auto is aangetroffen. Voorafgaand aan dat moment hebben zij de auto niet eerder op deze plek zien staan. Getuige [verbalisant 1] heeft in dit verband verklaard dat in een periode van ongeveer een kwartier de auto er wel stond.

Het hof hecht waarde aan deze verklaringen en bezigt deze dan ook voor het bewijs. Weliswaar zijn deze verklaringen niet in alle opzichten gelijkluidend, doch op het hiervoor aangehaalde punt verschillen zij niet van mening. Het hof acht de verklaringen in zoverre dan ook betrouwbaar, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de verbalisanten op de bewuste middag en avond in verband met de kermis en de feestmarkt met een zeer specifieke surveillance waren belast en dat zij meerdere malen de plaats waar verdachte in zijn auto is aangetroffen, in ogenschouw hebben genomen.

Nu uit het dossier en de verklaring van verdachte geen andere aannemelijke verklaring kan worden gevonden voor de aanwezigheid van de auto van verdachte, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte eerder die avond, kort voor het aantreffen aldaar door de verbalisanten, als bestuurder zijn auto ter plaatse heeft geparkeerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 27 oktober 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist was, en er sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 825 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 27 oktober 2008 te [plaats] schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 door een motorrijtuig te besturen, terwijl hij meer alcohol had genuttigd dan voor een beginnend bestuurder is toegestaan. Door in die toestand aan het verkeer deel te nemen heeft hij niet alleen zichzelf, maar ook de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar gebracht.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 november 2010 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de geldboete en de ontzegging van de rijbevoegdheid - zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg en gevorderd door de advocaat-generaal - van na te noemen hoogte dan wel duur dienen te worden opgelegd. Dit is conform de landelijk geldende oriëntatiepunten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van negenhonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van negentien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in negen opeenvolgende éénmaandelijkse termijnen, waarvan de eerste acht termijnen groot honderd euro en de overige termijn groot honderdvijftig euro;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van acht maanden;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. P.W.J. Sekeris en mr. E. de Witt, in tegenwoordigheid van K.J. Reinke als griffier.