Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP1272

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
24-000710-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, alsmede diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, alsmede opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

Opgelegd is een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-000710-10

parketnummer eerste aanleg: 18-651899-09

Arrest van 18 januari 2011 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 8 maart 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

volgens de opgave van de verdachte ter terechtzitting van het hof verblijvende te Frankrijk, [adres] te [plaats],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.G. Schuur, advocaat te Groningen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van de tijd die door de verdachte is doorgebracht in voorarrest.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 544, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (de muren en/of de vloeren en/of de plafonds van een of meerdere vertrekken van) de woning gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 3

De raadsman heeft met betrekking tot feit 3 aangevoerd dat het doel van de verdachte niet was gericht op het vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van (delen van) de woning aan de [adres] in [plaats]. De verdachte wilde enkel de woning beter geschikt maken voor het gecombineerde gebruik als woning en als hennepkwekerij. Alle veranderingen die de verdachte heeft aangebracht in/aan de woning kunnen op eenvoudige wijze hersteld worden, aldus de raadsman. De verdachte is door de verhuurder echter niet in de mogelijkheid gesteld om de woning terug te brengen in de oude staat, hetgeen wel het geval had behoren te zijn, aldus de raadsman. De raadsman heeft aangevoerd dat het hier dan ook uitsluitend gaat om een civielrechtelijke kwestie, te meer daar het huurcontract tussen de verdachte en de verhuurder van eerdergenoemde woning niet een geldig huurcontract is. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak ter zake van feit 3.

Anders dan de raadsman van de verdachte, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van een deel van de woning aan de [adres] in [plaats].

Allereerst is noch gebleken, noch aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ongeldig huurcontract. In bedoeld huurcontract worden aan de huurder specifieke, strakke beperkingen opgelegd met betrekking tot het gebruik van de woning.

Door ten behoeve van het opzetten van een hennepkwekerij twee gaten aan te brengen in een muur van de woning, waarvan het ene gat een diameter van vijftien centimeter had en het andere gat een ruime omvang van ongeveer zestig centimeter bij dertig centimeter had, is de verdachte getreden buiten een als regulier gebruik aan te merken gebruik van de woning. Voor het aanbrengen van deze gaten heeft verdachte geen toestemming gevraagd aan de verhuurder.

De stelling van de raadsman, inhoudende dat de verdachte niet door de verhuurder in de mogelijkheid zou zijn gesteld om de woning terug te brengen in de oude staat, acht het hof niet relevant in het kader van de strafrechtelijke beoordeling van de zaak, nu geen sprake is geweest van een regulier gebruik van de woning door de verdachte.

De enkele stelling van de raadsman, inhoudende dat het doel van de verdachte niet was gericht op het vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van (delen van) de woning aan de [adres] in [plaats], neemt niet weg dat de verdachte zich - door te handelen zoals hij heeft gedaan - feitelijk schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke en wederechtelijke beschadiging van die woning.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 544 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3.

hij in de periode van 1 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een vertrek van de woning gelegen aan de [adres], toebehorende aan [slachtoffer], heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1 -

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 -

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 3 -

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep. Hij heeft - kennelijk puur voor het geldelijk gewin - een stof geproduceerd die schadelijk kan zijn voor de gebruikers van die stof. Het gebruik van de op lijst II van de Opiumwet voorkomende middelen - de hennepproducten - brengt risico's mee voor de gezondheid van gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. De verdachte heeft daaraan door zijn handelen bijgedragen.

Daarnaast heeft de verdachte bovendien buiten de meter om elektriciteit afgetapt ten behoeve van de hennepkwekerij. Het op deze wijze betrekken van elektriciteit is ook maatschappelijk gezien zeer laakbaar, onder meer vanwege het gevaar van het ontstaan van brand. Ten slotte heeft verdachte ten behoeve van de kwekerij beschadigingen aangebracht in de door hem gehuurde particuliere woning, hetgeen voor de eigenaar van de woning overlast en schade heeft opgeleverd.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 november 2010, waaruit ten voordele van de verdachte blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld.

Uitgaande van de oriëntatiepunten voor straftoemeting die het hof hanteert in zaken van hennepkwekerijen van soortgelijke omvang als de hennepkwekerij van de verdachte, in combinatie met de diefstal van elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij, zou een gevangenisstraf voor de duur van tien weken in beginsel aangewezen zijn.

Het hof acht echter termen aanwezig om niet een gevangenisstraf, maar een werkstraf op te leggen aan de verdachte en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte is niet eerder veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit en heeft zich, na het plegen van de bewezen verklaarde feiten, derhalve gedurende twee jaar, niet opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten in Nederland.

Daarmee lijkt sprake te zijn van een incidentele ontsporing van de verdachte.

De verdachte heeft daarnaast op 4 januari 2011 de moeite genomen om vanuit [plaats] in Frankrijk naar Leeuwarden te komen teneinde aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en heeft zich bereid verklaard tot het verrichten van een werkstraf. De raadsman van de verdachte heeft zich bereid verklaard op te treden als contactpersoon tussen de verdachte en de reclassering ten behoeve van een goede uitvoering van een mogelijk aan de verdachte op te leggen werkstraf. Het kantooradres van de raadsman (Petrus Campersingel 125, 9713 AH Groningen) is daarvoor aangeboden.

Onder deze omstandigheden acht het hof een serieuze bereidheid aanwezig bij de verdachte tot het op adequate wijze verrichten van een werkstraf in Nederland en ziet het hof - anders dan de advocaat-generaal - in het verblijf van de verdachte buiten Nederland niet bij voorbaat beletselen die in de weg staan aan het opleggen van een werkstraf aan de verdachte.

Op grond van het vorenstaande, alsmede uit een oogpunt van normhandhaving, acht het hof een werkstraf van hierna te noemen duur passend en geboden en zal die opleggen.

Voor zover deze strafoplegging mocht resulteren in een straf van langere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd, komt het hof tot deze beslissing omdat het hof dat een passende straf acht die recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 57, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. B.F. Keulen en mr. J.A.A.M. van Veen, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Keulen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.