Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP1189

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
200.077.287/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag in kort geding of beslagrecht wordt misbruikt door niet mee te werken aan vrijwillige verkoop door hypotheekhouder namens de eigenaar. Hof acht misbruik niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2011/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 11 januari 2011

Zaaknummer 200.077.287/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

SNS Bank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: SNS,

advocaat: mr. D.M. Brinkman, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

1. Metaalbedrijf [naam] B.V.,

gevestigd te Almelo,

hierna te noemen: [metaalbedrijf 1],

2. [naam] Metaal Machinefabriek B.V.,

gevestigd te Franeker,

hierna te noemen: [metaalbedrijf 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

advocaat: mr. drs. M. Wullink, kantoorhoudende te Hengelo.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgedingvonnis uitgesproken op 13 oktober 2010 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 9 november 2010 is door SNS Bank hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van geïntimeerden tegen de zitting van 23 november 2010.

De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

"uitvoerbaar bij voorraad

i. het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Assen tussen partijen gewezen op

oktober 2010 onder zaak- en rolnummer 82059 / KG ZA 10-233 te vernietigen;

ii. opnieuw rechtdoende bij arrest, de vordering(en) van geïntimeerden alsnog aan haar te

ontzeggen althans af te wijzen;

iii. geïntimeerden te veroordelen om al hetgeen appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan aan appellante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

iv. de vorderingen van SNS Bank, zoals in reconventie in eerste aanleg gevorderd, alsnog toe te wijzen;

v. geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en -voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag der betaling;"

SNS heeft vervolgens een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de SNS Bank in het Hoger Beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit Hoger Beroep af te wijzen en het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen van 13 oktober 2010 te bekrachtigen, eventueel met verbetering of aanvulling der gronden, zulks met veroordeling van de SNS Bank in de kosten in eerste aanleg en van het Hoger Beroep te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de nakosten tot een bedrag van € 131,-- dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt op € 199,--."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

SNS Bank heeft acht grieven opgeworpen.

De beoordeling

Feiten

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals door de voorzieningenrechter vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.11 van zijn vonnis, echter met inachtneming van hetgeen hierna bij de bespreking van grief i wordt overwogen.

Kort gezegd staat vast dat SNS een met recht van hypotheek verzekerde vordering uit geldlening heeft op de heer en mevrouw [naam] (hierna gezamenlijk: en in enkelvoud: [echtpaar]). Het hypotheekrecht is gevestigd op de onroerende zaak aan de [adres]. Op die onroerende zaak rusten tevens verhaalsbeslagen van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2]. Daarnaast heeft de Belastingdienst een vordering op [echtpaar]. Op 4 mei 2010 heeft SNS met schriftelijke volmacht van [echtpaar] ter zake van de onroerende zaak een koopovereenkomst gesloten met [naam] Holding B.V. voor een prijs van € 950.000,-. [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] (en nog een derde beslaglegger) weigeren hun beslagen op te heffen en aldus levering aan [naam] Holding B.V. mogelijk te maken.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] hebben SNS in kort geding gedagvaard. De door hen gevorderde voorzieningen strekken ertoe SNS te verbieden de onroerende zaak te verkopen en leveren voor een prijs beneden € 1.250.000,-, althans te verkopen en leveren zonder toestemming van de voorzieningenrechter ex artikel 3: 268 lid 2 BW, althans gebruik te maken van het aan haar recht van hypotheek verbonden recht van voorrang, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vorderen zij vergoeding van gemaakte kosten van rechtsbijstand. SNS heeft in reconventie vorderingen ingesteld die ertoe strekken dat de beslagen van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] worden opgeheven en te voorkomen dat nieuwe beslagen door hen worden gelegd. De voorzieningenrechter heeft de (subsidiaire) vordering van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] inhoudende een verbod tot het verkopen en leveren van de onroerende zaak zonder toestemming van de voorzieningenrechter ex artikel 3:268 lid 2 BW toegewezen, verzwaard met een dwangsom. De vordering van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] tot betaling van buitengerechtelijke kosten is afgewezen. De vordering van SNS is geheel afgewezen. SNS is in conventie en in reconventie veroordeeld in de proceskosten.

Het spoedeisend belang

3. Het hof dient ambtshalve te onderzoeken of partijen een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorzieningen, voor zover die in hoger beroep zijn gehandhaafd. In verband met dit laatste is relevant dat [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] geen (incidentele) grief hebben gericht tegen de afwijzing van de door hen gevorderde veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten, zodat deze vordering geen onderwerp is van het hoger beroep.

3.1 Ten aanzien van de vraag of [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] een spoedeisend belang hebben bij hun overige vorderingen (als hierboven weergegeven) overweegt het hof als volgt.

3.2 SNS (als gemachtigde van [echtpaar]) heeft de onroerende zaak verkocht aan [naam] Holding B.V. voor een prijs van € 950.000,-. Het vorderen van een verbod tot verkoop is in zoverre achterhaald. Tot levering van de onroerende zaak aan Poppe Holding B.V. is het nog niet gekomen, omdat [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] geweigerd hebben hun beslagen op te heffen. Uit de overgelegde koopovereenkomst en de stellingen van partijen blijkt dat de verkoop aan Poppe Holding B.V is gedaan vrij van beslagen en onder de ontbindende voorwaarde dat SNS er niet in slaagt voor 1 juni 2011 "royement te verkrijgen van hypotheken en beslagen" die rusten op de onroerende zaak. Met andere woorden: [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] verkeren reeds in de positie dat zij de levering van de onroerende zaak kunnen blokkeren en zij doen dat ook. Dit brengt mee dat [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] geen belang, laat staan een spoedeisend belang, hebben bij het door hen gevorderde.

3.3 Anderzijds heeft SNS wel een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde, aangezien [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] de nakoming van de koopovereenkomst blokkeren en SNS onweersproken heeft gesteld dat Poppe Holding B.V nog slechts bereid is tot 1 juni 2011 uitstel van levering toe te staan. Weliswaar zou SNS de koopovereenkomst kunnen ontbinden en in een bodemprocedure de beweerdelijk door haar alsdan te lijden schade trachten te verhalen op [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2], maar beide partijen (en andere betrokkenen) hebben er onmiskenbaar belang bij dat thans snel een voorlopig oordeel wordt gegeven over de vraag of [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] terecht weigeren de beslagen op te heffen.

Grief i

4. Deze grief richt zich tegen rechtsoverweging 2.9 van het bestreden vonnis. Die overweging heeft betrekking op de twee taxatierapporten die in eerste aanleg zijn overgelegd. Het hof is met SNS van oordeel dat de voorzieningenrechter niet helemaal volledig en correct weergeeft wat uit deze rapportages blijkt, overigens zonder dat dit op zichzelf leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis.

4.1 Aangevuld met wat in hoger beroep nog aangaande de taxaties en de gebruiksmogelijkheden van de onroerende zaak is gebleken, staat het volgende vast.

4.2 Op 19 maart 2010 heeft een opname van het object plaatsgevonden door taxateur H. Assen. In een taxatierapport gedateerd 13 april 2010 stelt Assen de onderhandse verkoopwaarde op € 835.000,- en de executiewaarde op € 625.000,- en voegt hij daaraan toe dat, indien het grasland achter de woning bebouwd mag worden, de onderhandse verkoopwaarde € 1.600.000,- bedraagt en de executiewaarde € 1.250.000,-. Onder M.2.c van dit rapport wordt vermeld:

"De eigenaar voert sinds 2005 een strijd met de gemeente betreffende bouwmogelijkheden op het perceel. Zoals het er nu naar uitziet zal de eigenaar in het gelijk gesteld worden en zal het mogelijk zijn seniorenappartementen met een zorgcomponent te bouwen, hetgeen een prima aansluiting geeft op het naastgelegen bejaardencentrum."

Onder O van dit rapport wordt vermeld dat, indien het achterste gedeelte van het perceel (ca. 5000 m2) bebouwd mag worden, dit een waarde heeft van ca.

€ 900.000,-.

4.3 In een rapport gedateerd 18 juni 2000 vermeldt Assen (op basis van de opname op 19 maart 2010) een onderhandse verkoopwaarde van € 835.000,- en een executiewaarde van € 625.000,-. Er wordt geen uitsplitsing gemaakt in waarden bij grasland met of zonder bebouwing. De opmerking onder M.2.c is identiek als in het vorige rapport. De opmerking onder O zoals vermeld in het vorige rapport komt in dit rapport niet voor.

4.4 In hoger beroep heeft SNS als bijlage bij de door [echtpaar] getekende volmacht nog de eerste bladzijde van een derde taxatierapport van Assen overgelegd (gedateerd 31 maart 2009 en gebaseerd op een opname van 25 maart 2009). In dat rapport stelt Assen de onderhandse verkoopwaarde op € 875.000,- en de executiewaarde op € 700.000,- en voegt hij daaraan toe dat indien het grasland achter de woning bebouwd mag worden de onderhandse verkoopwaarde € 1.850.000,- bedraagt en de executiewaarde € 1.475.000,-. Of de opmerkingen als hiervoor bedoeld onder M.2.c en O ook in deze rapportage zijn vermeld, valt niet na te gaan, nu de bewuste bladzijden niet zijn overgelegd.

4.5 Ingevolge het vigerende Bestemmingsplan mogen op het bewuste perceel openbare bijzondere gebouwen gebouwd worden, zoals kerken, scholen, ziekenhuizen en bejaardentehuizen, eventueel met bijbehorende bejaardenwoningen. Het toegestane bebouwingspercentage is 35%.

4.6 Naast het perceel is gelegen zorgcentrum Kornoeljehof. Deze partij is zelf niet (langer) geïnteresseerd in aankoop van de grond.

De grieven ii tot en met v

5. Deze grieven hebben alle betrekking op de toewijzing van de in eerste aanleg door [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] gevorderde verboden en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Nu het hof de hier bedoelde voorzieningen echter reeds weigert wegens het ontbreken van een (spoedeisend) belang, ontberen ook de onderhavige grieven belang en zal het hof deze onbesproken laten. Voor zover echter het in de toelichtingen op deze grieven gestelde van belang is voor grief vi, zal het hof die stellingen bij de bespreking van deze grief in de beoordeling betrekken.

Grieven vi en vii

6. Deze grieven klagen over de afwijzing van de vorderingen die SNS in eerste aanleg in reconventie heeft ingesteld. Deze vorderingen strekken ertoe dat de beslagen van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] worden opgeheven en te voorkomen dat nieuwe beslagen door hen worden gelegd. SNS stelt primair in de toelichting op grief vi dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] misbruik van hun beslagrecht maken in de zin van artikel 3:13 BW.

7. Daartoe voert SNS (grief vi) het navolgende aan.

Voordat het tot de verkoop aan [naam] Holding B.V kwam, is vier jaar lang vergeefs getracht de onroerende zaak te verkopen. Er is daarbij geen bod van een hogere bieder dan van de koper afgewezen. [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] en [echtpaar] hebben thans zelf ook geen concrete andere gegadigde aangedragen. De overeengekomen prijs van € 950.000,- is hoger dan de getaxeerde (onderhandse) verkoopwaarde van € 835.000,- en is dan ook een buitenkans. Het is de hoogst haalbare prijs. De koper is niet bereid om in het kader van een executie te kopen. De desbetreffende onroerende zaak is een specifiek object met een beperkte bestemming. Het is onwaarschijnlijk dat na vier jaar een tot op heden onbekende projectontwikkelaar bereid zal zijn bij executie een hoger bod te doen. Het naastgelegen zorgcentrum is als geïnteresseerde afgehaakt. Voorts zijn de executieopbrengsten de laatste jaren dramatisch laag. Er is derhalve zowel binnen als buiten executie geen zicht op voldoening van (een deel van) de vorderingen van enige beslaglegger, onder wie [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2]. Onder die omstandigheden maken [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] misbruik van recht door te weigeren de beslagen op te heffen, aldus nog steeds SNS.

8. Subsidiair (grief vii) stelt SNS dat haar reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de conventionele vordering zou worden afgewezen. Nu die voorwaarde niet is vervuld, had de voorzieningenrechter niet tot afwijzing van de vordering in reconventie en veroordeling in de kosten daarvan kunnen komen, aldus SNS.

9. [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] hebben gemotiveerd bestreden dat zij misbruik maken van recht en hebben ontkend dat de reconventionele vordering voorwaardelijk is ingesteld.

10. Het hof stelt voorop dat de wet in artikel 3:268 BW voorziet in een met waarborgen voor alle betrokkenen omklede procedure inzake het verhaal op het verbonden goed door de hypotheekhouder. Er zijn twee mogelijkheden: openbare verkoop ten overstaan van de notaris (lid 1) of onderhandse verkoop met goedkeuring door de voorzieningenrechter (lid 2). Een andere vorm van verhaal is niet mogelijk (lid 5). Verhaal leidt tot zuivering van de ingeschreven beslagen (artikel 3:273 BW).

11. In afwijking van deze wettelijk voorgeschreven gang van zaken tracht SNS in het onderhavige geval langs andere weg (een deel van) de opbrengst van het verbonden goed in handen te krijgen, namelijk via verkoop door de eigenaar, waarbij deze SNS heeft gemachtigd namens hem te handelen en waarbij SNS afstand doet van haar hypotheekrecht (en de Belastingdienst haar beslag opheft), echter onder de voorwaarde dat [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] hun beslagen prijsgeven en de verkoopopbrengst aan SNS (en de Belastingdienst) laten toekomen.

12. Vanzelfsprekend zijn [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] als beslagleggers in beginsel niet gehouden aan die constructie mee te werken. Er is immers geen rechtsregel die meebrengt dat zij in de gegeven situatie hun beslagen dienen prijs te geven. Dit zou slechts anders zijn, indien zij bij een weigering tot medewerking geen rechtens te respecteren belang zouden hebben. Een dergelijk geval kan zich voordoen indien (i) sprake is van een rechtsgeldige onderhandse verkoop en (ii) evident is dat - zowel binnen als buiten executie - geen zicht bestaat op voldoening van (een deel van) de vorderingen van de beslagleggers. De weigering door de beslagleggers leidt dan immers slechts tot onnodige (executie)kosten en mogelijke schade door een verminderde opbrengst, terwijl daar geen enkel voordeel voor de beslagleggers tegenover staat. Het ligt op de weg van de hypotheekhouder die dit stelt aannemelijk te maken dat de beslagleggers hun recht misbruiken.

13. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval onvoldoende aannemelijk geworden dat [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] hun recht misbruiken. Voor dit oordeel zijn de navolgende omstandigheden redengevend.

13.1 [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] hebben de geldigheid van de onherroepelijke volmacht op basis waarvan SNS namens [echtpaar] de onroerende zaak heeft verkocht gemotiveerd betwist en voorts aangevoerd dat SNS buiten deze volmacht heeft gehandeld. Binnen het raam van dit (spoed)kortgeding is geen plaats voor een uitvoerig onderzoek hiernaar.

13.2 [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] hebben de juistheid van de taxatie van 21 juni 2010 gemotiveerd betwist. Zij hebben daartoe in de eerste plaats gewezen op de twee eerdere taxatierapporten van dezelfde taxateur, waarin deze de waarde van de onroerende zaak inclusief het grasland nog taxeerde op aanzienlijk hogere bedragen. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen bij grief i is overwogen. SNS heeft weliswaar een verklaring voor deze gang van zaken trachten te geven door het overleggen van een schriftelijke toelichting van de taxateur, maar deze toelichting is, naar het oordeel van het hof, niet van dien aard dat iedere twijfel aan de taxatie van 21 juni 2010 daardoor wordt weggenomen. Die (resterende) twijfel had wellicht kunnen worden weggenomen indien een tweede taxateur was ingeschakeld en deze tot dezelfde bevindingen was gekomen. Voorts hebben [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] erop gewezen dat nog in het recente verleden door (nadien afgehaakte) geïnteresseerden aanmerkelijk hogere bedragen zijn geboden dan het thans voorliggende bedrag.

13.3 Het hof voegt aan het voorgaande nog toe nog toe dat de omstandigheid dat vier jaar lang vergeefs is getracht de onroerende zaak te verkopen en het naastgelegen zorgcentrum als geïnteresseerde is afgehaakt nog niet wil zeggen dat met voldoende mate van zekerheid uitgesloten moet worden geacht dat na aanzegging van een veiling en publicatie daarvan geïnteresseerden worden bereikt die tot dan toe met het object en de bijbehorende (bijzondere) bouwmogelijkheden onbekend waren en dat van die zijde een beter bod wordt gedaan dan het thans voorliggende.

13.4 Ten slotte hebben [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] de door SNS gestelde omvang van haar vordering op [echtpaar] gemotiveerd betwist, hetgeen van belang is nu de gestelde vorderingen van SNS en de Belastingdienst tezamen de voorliggende verkoopopbrengst niet ruim overtreffen.

14. Al met al is weliswaar zeker niet uitgesloten dat sprake is van een rechtsgeldige verkoop en de beslagleggers bij executie geen betaling op hun vorderingen zullen ontvangen, maar dat scenario is op dit moment niet in die mate waarschijnlijk, dat in voldoende mate aannemelijk is geworden dat sprake is van misbruik van recht aan de zijde van de beslagleggers.

15. Grief vi faalt dan ook. Ook grief vii faalt, nu uit de door SNS genomen "Reconventionele Vordering" in het geheel niet blijkt dat deze voorwaardelijk wordt ingesteld.

Grief viii

16. Deze grief mist naast de andere grieven zelfstandige betekenis.

De slotsom

17. Het vonnis waarvan beroep zal (om praktische redenen: geheel) worden vernietigd, voor zover althans gewezen tussen de onderhavige partijen.

De vorderingen van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] zullen worden afgewezen, met veroordeling van hen in de kosten van de oorspronkelijke conventie. De - niet door [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] bestreden - vordering van SNS tot terugbetaling van al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling is als uitvloeisel daarvan toewijsbaar.

17.1 De vorderingen van SNS zullen eveneens worden afgewezen, met veroordeling van haar in de kosten van de oorspronkelijke reconventie.

17.2 In hoger beroep zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden, nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld.

17.3 De over en weer ingestelde vorderingen tot vergoeding van nakosten zullen worden afgewezen, omdat die kosten thans nog niet begroot kunnen worden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dat is gewezen tussen enerzijds [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] en anderzijds SNS en opnieuw rechtdoende:

weigert de door [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] gevorderde voorzieningen;

weigert de door SNS gevorderde voorzieningen;

veroordeelt [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] in de kosten van het geding in eerste aanleg voor zover gemaakt in conventie en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van SNS op € 263,-- aan verschotten en € 816,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

veroordeelt SNS in de kosten van het geding in eerste aanleg voor zover gemaakt in reconventie en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] op nihil aan verschotten en € 408,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] tot terugbetaling aan SNS van al hetgeen SNS ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [metaalbedrijf 1] en [metaalbedrijf 2] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot aan de voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarin vervatte vernietiging en veroordelingen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs L. Janse, voorzitter, L. Groefsema en M.W. Zandbergen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 januari 2011 in bijzijn van de griffier.