Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP0782

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
200.056.040
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat de noodzaak van de man voor het terugbrengen van zijn salaris onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt zal het hof bij de vaststelling van zijn draagkrachtruimte uitgaan van het oorspronkelijke salaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 4 januari 2011

Zaaknummer 200.056.040

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C. Lich, kantoorhoudende te Roden,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudende te Tynaarlo.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 4 november 2009 heeft de rechtbank Assen bepaald dat de man vanaf 24 maart 2009 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw een bedrag van € 1.766,-- bruto per maand dient te betalen. Daarnaast heeft de rechtbank de verzoeken van de man met betrekking tot de kinderalimentatie afgewezen en de proceskosten aldus gecompenseerd dat elke partij de eigen kosten draagt.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 2 februari 2010, heeft de man verzocht de beschikking van 4 november 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag als het hof juist acht en de man te veroordelen een bedrag van € 265,-- te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2], althans een bedrag als het hof juist acht.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 19 maart 2010, heeft de vrouw het verzoek bestreden en het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, de verzoeken van de man af te wijzen als zijnde ongegrond en de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van 25 juni 2010 van mr. Lich.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de minderjarige [kind 2] zijn mening niet kenbaar gemaakt.

Ter zitting van 6 juli 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Lich, en de vrouw, bijgestaan door mr. Haarsma.

De beoordeling

Nagekomen stukken

1. Bij de griffie van het hof is op 30 juni 2010 een faxbericht met een bijlage van mr. Haarsma binnengekomen. Art. 1.4.3. van het procesreglement verzoekschrift-procedures familiezaken gerechtshoven houdt in dat uiterlijk de tiende kalender-dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Nu voornoemd faxbericht met bijlage te laat is, zal het hof geen acht slaan op de inhoud hiervan bij de behandeling van de zaak en het wijzen van de beslissing.

De vaststaande feiten

2. De man heeft een deelneming van 50% in Bouwbedrijf Plas BV (hierna: Plas BV) en vormt samen met Beugeling Beheer BV (hierna: Beugeling) de directie van dit bedrijf. Plas BV betaalt maandelijks een managementfee aan Management Bureau Heeren BV (hierna: MBH BV), de beheersmaatschappij van de man.

3. Partijen zijn op 25 september 1987 met elkaar gehuwd. Uit dat huwelijk is op [1990] in de gemeente [plaats] de thans meerderjarige [naam kind 1] (hierna: [kind 1]) en op [1992] in de gemeente [plaats] de thans nog minderjarige [naam kind 2] (hierna: [kind 2]) geboren.

4. Het huwelijk tussen partijen is op 30 augustus 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 augustus 2007 in de registers van de burgerlijke stand.

5. Na het uiteengaan zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] dient te voldoen. De man heeft de vrouw tot 1 november 2008 maandelijks een bedrag van € 1.766,-- bruto per maand aan partneralimentatie betaald. De man heeft sinds het uiteengaan van partijen (ten aanzien van [kind 1] tot aan 1 februari 2010) voor de kinderen een alimentatiebijdrage van in totaal € 500,-- aan de vrouw betaald.

6. De man is op 11 juli 2008 gehuwd met zijn nieuwe partner. Deze nieuwe partner van de man heeft een inkomen uit onderneming en kan in haar eigen levens-onderhoud en dat van haar 5 kinderen voorzien.

7. Bij inleidend verzoekschrift van 23 maart 2009 heeft de vrouw verzocht de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op een bedrag van € 3.000,-- bruto per maand. Bij zelfstandig verzoek heeft de man verzocht te bepalen dat beide partijen naar rato zullen voorzien in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] en dat de man ten behoeve van [kind 2] een maandelijkse bijdrage dient te voldoen van de helft van zijn draagkracht, zijnde € 232,50.

8. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing, voor wat betreft de kinderalimentatie van [kind 2] en de partneralimentatie, is het hoger beroep van de man gericht.

9. Ter zitting van dit hof op 5 maart 2010 is het schorsingsverzoek van de man behandeld. Tijdens die behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt, waarna de vrouw heeft ingestemd met de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Het hof heeft bij beschikking van 16 maart 2010 de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Assen van 4 november 2009 geschorst.

10. Bij beschikking van 30 maart 2010 heeft de rechtbank Groningen de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] met ingang van 1 februari 2010 bepaald op € 650,-- per maand.

Overeenstemming ten aanzien van de kinderalimentatie ([kind 2])

11. Ter zitting van het hof hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man ten behoeve van [kind 2] te betalen kinderalimentatie. Partijen hebben afgesproken dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] aan de vrouw een bedrag van € 235,-- per maand dient te voldoen.

12. Gelet op het voorgaande zal het hof verdere bespreking van de standpunten van partijen ten aanzien van de kinderalimentatie ten behoeve van [kind 2] achterwege laten, nu zij daarbij geen belang meer hebben. Het hof zal hetgeen door partijen hieromtrent is overeengekomen vastleggen in deze beschikking.

De ingangsdatum

13. Het hof zal zich met betrekking tot de ingangsdatum van de eventuele alimentatie-verplichting(en) aansluiten bij de rechtbank en derhalve uitgaan van de datum indiending verzoekschrift, zijnde 24 maart 2009, nu partijen hiertegen niet hebben gegriefd.

De geschilpunten

14. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw;

- de draagkracht van de man en wel op het volgende punt:

- het inkomen van de man.

De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw

15. Blijkens de beschikking waarvan beroep waren partijen het er in eerste aanleg over eens dat het netto gezinsinkomen € 5.000,-- per maand bedroeg op basis waarvan de kosten van de kinderen zijn gesteld op totaal € 1.150,-- per maand. De behoefte van de vrouw is vervolgens berekend op 60% van € 3.850,-- (€ 5.000,-- minus € 1.150,--) is € 2.310,-- netto per maand. Uitgaande van een eigen inkomen van de vrouw van € 1.000,-- netto per maand, resteert volgens de rechtbank een behoefte aan een bijdrage van netto € 1.310,-- per maand. Het hof zal zich met betrekking tot de behoefte van de vrouw aansluiten bij de berekening van de rechtbank en eveneens uitgaan van een behoefte van € 1.310,-- netto per maand. Het hof passeert de stelling van de man dat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan € 4.500,-- per maand bedroeg, nu de man in eerste aanleg heeft erkend dat het netto gezinsinkomen € 5.000,-- per maand was en hij niet nader heeft onderbouwd waarom hij in hoger beroep uitgaat van een lager bedrag.

16. Het hof passeert de stelling van de man dat er van uitgegaan dient te worden dat de vrouw over voldoende verdiencapaciteit beschikt en merkt met betrekking tot dit punt het volgende op. Het hof is van oordeel dat de vrouw in redelijkheid haar werkzaamheden binnen Plas BV mocht beëindigen, omdat dit het bedrijf van de man betreft en zij (inmiddels) zijn gescheiden. In het licht van het vorenstaande, alsmede gelet op haar leeftijd, de (nul-uren) contracten die zij heeft en het aantal uren dat zij op basis van een van die contracten ook daadwerkelijk regelmatig wordt ingeschakeld is het hof daarnaast van oordeel dat in redelijkheid niet van de vrouw verwacht kan worden dat zij binnen afzienbare termijn substantieel meer inkomsten kan verwerven dan zij thans verwerft en derhalve ook niet in grotere mate in haar behoefte kan voorzien dan zij thans voorziet.

De draagkracht van de man

Het inkomen van de man

17. Partijen verschillen van mening over het in de draagkrachtberekening te betrekken inkomen van de man.

18. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man, naar zijn zeggen in verband met de inkomstenvermindering van bouwbedrijf Plas BV als gevolg van de financiële crisis, per 1 januari 2009 zijn salaris zodanig heeft verminderd dat hij niet langer in staat is om aan de vrouw partneralimentatie te betalen. Niet in geschil is dat bouwbedrijf Plas BV te lijden heeft onder de recessie en dat de verminderde resultaten van het bouwbedrijf gevolgen hebben voor de resultaten van MBH BV. De man heeft in verband hiermee ingrijpende maatregelen moeten treffen, zoals het ontslag van tien van de vijftien werknemers van het bouwbedrijf per 1 januari 2010. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat er binnen Plas BV en/of MBH BV nog immer voldoende reserves aanwezig zijn die de man kan aanspreken om de gevolgen van de kredietcrisis te kunnen dragen en zijn salaris te kunnen blijven voldoen. Het hof wijst daarnaast op het feit dat de man blijkens de post rekening-courant directie in 2008 nog een privéopname heeft gedaan van € 92.000,-- en op de hogere managementfee die medeaandeelhouder Beugeling nog steeds uitbetaald krijgt, waaruit blijkt dat het met Plas BV financieel niet dusdanig slecht gaat dat de man zijn inkomen moest verminderen op de wijze als hij dat heeft gedaan. Daaraan doet overigens niet af, zoals de man heeft gesteld, dat Beugeling een hogere managementfee uitbetaald krijgt omdat hij als gevolg van zijn medische toestand geen arbeidsongeschikt-heidsverzekering kan afsluiten. Dat man heeft zijn stelling dat de privéopname van € 92.000,-- is aangewend ten behoeve van ontwikkelingskosten, project-ontwikkeling en vastgoed, zoals hij ter zitting van het hof naar voren heeft gebracht, mede in het licht van de door de vrouw gedane betwisting, onvoldoende nader onderbouwd.

19. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de man de noodzaak voor het terugbrengen van zijn salaris onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het hof acht het dan ook niet gerecht-vaardigd dat de man als gevolg van zijn salarisvermindering zichzelf in een positie heeft gebracht dat hij niet langer in staat is tot het betalen van partneralimentatie.

20. Het hof zal derhalve uitgaan van het inkomen van de man dat hij had vóór zijn salarisvermindering in 2009. Nu de man geen (fiscale) inkomensgegevens over 2007 en 2008 heeft overgelegd, zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man, evenals de vrouw, uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 86.977,-- als vermeld onder punt 1 (berekening belastbaar inkomen box 1) van het fiscaal rapport 2006 ten behoeve van de man, in welk bedrag de vergoeding Inkomens-afhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is begrepen. Het hof merkt nog op dat de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man tevens in het bruto-traject van de draagkrachtberekening zal worden meegenomen.

De bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage

21. Het hof zal, nu de man ten aanzien van [kind 2] samen met de vrouw een co-ouderschap uitoefent, in de draagkrachtberekening de co-ouderschapnorm en het draagkrachtpercentage van 52,5% hanteren.

De berekening

22. De man heeft ter zitting in eerste aanleg onweersproken gesteld dat hij (tot februari 2010) aan de jongmeerderjarige [kind 1] maandelijks een bedrag van € 275,-- heeft betaald als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Voorts zijn partijen, zoals hiervoor is overwogen, overeengekomen dat de man ten behoeve van [kind 2] aan de vrouw een bedrag van € 235,-- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. Het hof zal dan ook in de periode over 24 maart 2009 tot en met 1 februari 2010 (periode 1) bij de berekening van de draagkracht van de man (voor de partneralimentatie) rekening houden met een bedrag van € 275,-- aan alimentatie ten behoeve van [kind 1] en een bedrag van € 235,-- alimentatie ten behoeve van [kind 2]. Vanaf 1 februari 2010 (periode 2) zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man, naast een maandelijks bedrag van € 235,-- per maand ten behoeve van [kind 2], rekening houden met een door de man te betalen bijdrage van € 650,-- per maand ten behoeve van [kind 1]. Het hof heeft, anders dan de man, bij de berekening van de draagkracht van de man in 2010 (periode 2) geen rekening gehouden met omgangskosten, nu niet gebleken is dat de man voor de kinderen omgangskosten maakt.

Periode 24 maart 2009 tot 1 februari 2010

23. Gelet op het voorgaande en tevens op de niet betwiste posten zoals daarvan blijkt uit de door de man overgelegde draagkrachtberekeningen komt het hof tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening over de periode van 24 maart 2009 tot 1 februari 2010 (periode 1) waaruit blijkt dat de man (naar de tarieven van januari 2009) een draagkrachtruimte heeft van € 2.451,-- per maand. Van deze draagkrachtruimte is 52,5 %, zijnde afgerond € 1.287,-- per maand beschikbaar voor alimentatie. Na aftrek van de door de man te betalen kinder-alimentatie van in totaal € 510,-- (€ 235,-- voor [kind 2] en € 275,-- voor [kind 1]) en bijtelling van het fiscaal voordeel van in totaal € 71,-- waar de man door betaling van voornoemd bedrag aan kinderalimentatie voor in aanmerking komt, resteert een bedrag van € 848,-- netto voor partneralimentatie. Inclusief fiscaal voordeel is er dan € 1.726,-- beschikbaar voor partneralimentatie. Het hof zal derhalve de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud voor periode 1 bepalen op € 1.726,-- per maand.

Periode vanaf 1 februari 2010

24. Gelet op het voorgaande en tevens op de niet betwiste posten zoals daarvan blijkt uit de door de man overgelegde draagkrachtberekeningen komt het hof tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening over de periode vanaf 1 februari 2010 (periode 2) waaruit blijkt dat de man (naar de tarieven van januari 2010) een draagkrachtruimte heeft van € 2.605,-- per maand. Van deze draag-krachtruimte is 52,5 %, zijnde afgerond € 1.368,-- per maand beschikbaar voor alimentatie. Na aftrek van de door de man te betalen kinderalimentatie van in totaal € 885,-- (€ 235,-- voor [kind 2] en € 650,-- voor [kind 1]) en bijtelling van het fiscaal voordeel van in totaal € 71,-- waar de man door betaling van voornoemd bedrag aan kinderalimentatie voor in aanmerking komt, resteert een bedrag van € 554,-- netto voor partneralimentatie. Inclusief fiscaal voordeel is er dan € 1.154,-- beschikbaar voor partneralimentatie. Het hof zal derhalve de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud voor periode 2 bepalen op € 1.154,-- per maand.

Slotsom

25. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de man met betrekking tot de kinderalimentatie voor [kind 2] en ten aanzien van de vastgestelde partneralimentatie;

en in zoverre opnieuw beslissende

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] over de periode vanaf 24 maart 2009 op een bedrag van € 235,-- per maand;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud over de periode van 24 maart 2009 tot 1 februari 2010 (periode 1) op € 1.726,-- per maand;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud over de periode vanaf 1 februari 2010 op € 1.154,-- (periode 2) per maand;

bepaalt dat deze bedragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, G. Jonkman en J. Hulsebosch, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 januari 2011 in bijzijn van de griffier