Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BP0689

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
24-002244-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens het openlijk geweld plegen tegen personen en tweemaal mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen vervangende hechtenis. Bewijsoverweging omtrent opsporing door aangevers en bewijsoverweging omtrent opzet op pijn of letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002244-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-605572-07

Arrest van 12 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 3 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 29 december 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen voor de feiten 1, 2 en 3 tot een werkstraf van 75 uren onvoorwaardelijk, subsidiair 37 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 01 april 2007 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, stationsplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit stompen, slaan en schoppen;

2.

hij op of omstreeks 01 april 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 23 maart 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), meermalen heeft gestompt en/of geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging omtrent het onder 1 en 2 ten last gelegde

Door de raadsvrouw van verdachte is betoogd dat verdachte van het aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet op reguliere wijze door de politie als verdachte is opgespoord. Immers, de politie is door de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] middels een foto direct geattendeerd op de persoon die zich volgens de aangevers schuldig heeft gemaakt aan mishandelingen op 1 april 2007. Niet controleerbaar is hierdoor of verdachte door aangevers op grond van uiterlijke kenmerken is herkend of op grond van wederzijdse beïnvloeding. Niet uitgesloten is hierdoor dat de aangevers verdachte ten onrechte als de werkelijke dader beschouwen. Daarnaast is verdachte heel stellig en consequent in zijn ontkenning. Naar de mening van de raadsvrouw is er gelet op het voorgaande geen overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 31 maart 2007 op 1 april 2007 is uitgegaan in discotheek [bedrijf] te [plaats 2]. Na afloop is hij per speciale uitgaansbus naar [plaats] teruggekeerd. Tijdens die busrit zat hij naast een meisje dat hij van school kent, maar er is geen onvertogen woord gevallen. Verdachte heeft tegenover de politie erkend dat hij op de foto staat afgebeeld die bij de aangifte van [slachtoffer 1] in het dossier is opgenomen. [slachtoffer 1] heeft bij de politie en later bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de jongen die hem geslagen heeft, herkende als [verdachte] die hij vaker heeft gezien en die op de foto staat afgebeeld. In haar aangifte heeft [slachtoffer 2] verklaard en dit bij de rechter-commissaris bevestigd dat zij de jongen die in de bus vervelend deed en haar en [slachtoffer 1] later geslagen heeft, kent als T[verdachte]. Zij verklaarde hem van school te kennen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij die nacht met verdachte en [medeverdachte 2] naar [bedrijf] is geweest. Naderhand zijn zij gedrieën met de bus terug naar [plaats] gereden. In de bus zat verdachte [verdachte] bij een groepje van drie meiden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tevens waargenomen dat verdachte [verdachte] een woordenwisseling had met een jongen, kort nadat zij de bus uitgestapt waren. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij diezelfde jongen op een later moment zelf heeft geschopt en dat verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] die jongen hebben geslagen.

Dat sprake zou zijn van een persoonsverwisseling, zoals door de raadsvrouw is bepleit, is niet aannemelijk geworden. Het hof acht op grond van de hierboven weergegeven verklaringen wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die geweld heeft uitgeoefend jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de wijze als hierna in de bewezenverklaring weergegeven.

Bewijsoverweging omtrent het onder 3 ten laste gelegde

De raadsvrouw van verdachte heeft de vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde nu verdachte geen opzet had op het toebrengen van pijn of letsel aan [slachtoffer 3]. Daarnaast was het voor verdachte niet voorzienbaar dat [slachtoffer 3] tegen de reling van de brug aan zou vallen.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof vast dat [slachtoffer 3] is weggelopen nadat hij verdachte -terwijl deze in zijn auto zat- bij zijn haar had vastgepakt. Vervolgens heeft verdachte met zijn auto [slachtoffer 3] gevolgd. Kort hierop is verdachte uit zijn auto gestapt en naar [slachtoffer 3] toegelopen. Verdachte heeft [slachtoffer 3], zoals hij zelf ook toegeeft, vervolgens van zich geduwd waardoor deze tegen de railing van een brug is gevallen. Verdachte heeft door zo handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 3] tengevolge van de duw om zou vallen en vervolgens pijn en/of letsel zou bekomen. De stelling van de raadsvrouw dat het niet de bedoeling van verdachte is geweest dat [slachtoffer 3] zou omvallen, doet hier niet aan af nu de wet voor mishandeling ook niet zo'n bijzonder oogmerk als eis voor strafbaarheid stelt.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 1 april 2007 in de gemeente [gemeente] met anderen, op de openbare weg, stationsplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit slaan;

2.

hij op 1 april 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 23 maart 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 3], heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2. mishandeling;

3. mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en tweemaal aan mishandeling. Door aldus te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Openlijk geweld wekt voorts gevoelens van angst en onveiligheid op bij het uitgaanspubliek.

Voorts wordt verdachte aangerekend dat hij ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 degene was die de confrontatie heeft gezocht in een situatie waarvan kan worden gezegd dat verdachte onder invloed was van een aanzienlijke mate van alcohol.

In beginsel is een gevangenisstraf voor de duur van één maand onvoorwaardelijk voor dergelijke feiten passend, waarbij het hof mede in aanmerking neemt de landelijke oriëntatiepunten voor dergelijke delicten.

Het hof heeft voorts gelet op het verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 oktober 2010, waaruit blijkt dat er weliswaar sprake is geweest van een eerder politie- en justitiecontact, maar dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Tevens heeft het hof gelet op hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Gelet op de gewijzigde levensomstandigheden van verdachte die herhaling van de feiten zoals de onderhavige minder te verwachten maken, acht het hof -anders dan de advocaat-generaal- het opleggen van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf thans niet meer op zijn plaats en zal volstaan worden met het opleggen van een werkstraf.

Het hof heeft voorts geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, waarbij niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.

Het hof oordeelt dat een onvoorwaardelijke werkstraf van 80 uren in beginsel gepast is, maar ziet in het tijdsverloop aanleiding een vermindering toe te passen op deze werkstraf en zal derhalve een werkstraf opleggen van 75 uur.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijfenzeventig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zevenendertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier, zijnde mr. J.H. Bosch buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.