Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ4383

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
200.073.126
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. 6 EVRM. Ook indien minder dan € 70,- dient te worden voldaan, kan de kantonrechter het draagkrachtverweer dat de betrokkene gedetineerd is niet verwerpen zonder daarover een zitting te houden.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.073.126

30 november 2010

CJIB 137190860

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Breda

van 24 augustus 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), verblijvende te [verblijfplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.A. Huibers, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Breda genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en administratiekosten en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

2. De gemachtigde van de betrokkene legt twee brieven, van respectievelijk 11 juni 2010 en 21 juni 2010 over. Deze brieven zijn als reactie aan de rechtbank gezonden op de door de rechtbank verzonden brieven van 30 mei 2010 en 14 juni 2010 met betrekking tot het stellen van zekerheid. In de brieven deelt de gemachtigde van de betrokkene mee, dat de betrokkene sedert november 2008 is gedetineerd en hij derhalve geen inkomen heeft en het hem om die reden aan middelen ontbreekt om zekerheid te stellen.

3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden dat van een zodanige belemmering in ieder geval geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van € 70,- of minder is verlangd.

4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op uitzonderlijke financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval toch zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Tot zodanige uitzonderlijke omstandigheden kan behoren een detentie van de betrokkene.

In het onderhavige geval diende de betrokkene zekerheid te stellen tot een bedrag van € 24,-.

Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.

Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

5. De kantonrechter heeft, zonder een zitting te houden, in de beslissing, waarvan beroep, overwogen dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld en dat niet gesteld of gebleken is dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. In aanmerking nemende, dat van algemene bekendheid is, dat gedurende een detentie de inkomsten van een betrokkene minimaal kunnen zijn heeft de kantonrechter ten aanzien van het gevoerde draagkrachtverweer niet gehandeld in overeenstemming met het onder 4. overwogene.

6. De bestreden beslissing kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

7. Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat uit de stukken blijkt dat het vermelde adres van de gemachtigde, te weten [adres 1] niet juist is. Het juiste adres van de gemachtigde is: [adres 2].

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak naar de rechtbank Breda ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Bons als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.