Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ4367

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
200.059.819
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel en ontvankelijkheid daarvan. Vernietiging van de beslissing van de kantonrechter: de overwegingen hadden gelet op 13 WAHV tot een ander dictum moeten leiden. Ook geen omstandigheden die het opleggen van een sanctie ter zake van 78 RVV 1990 niet rechtvaardigen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.059.819

29 november 2010

CJIB 119874386

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Maastricht

van 26 november 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Maastricht genomen beslissing gegrond verklaard, het bedrag van de sanctie gematigd tot nihil, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigd en bepaald dat hetgeen als zekerheid is gesteld dient te worden gerestitueerd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat weliswaar vaststaat dat de gedraging is verricht, doch dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden moeten leiden tot vernietiging van de sanctie.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De bij de inleidende beschikking aan de betrokkene opgelegde sanctie bedroeg € 150,-. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter die sanctie gematigd tot € 0,-.

3. Het hof heeft eerder bij arrest van 20 juli 2010, LJN BN3632 (te raadplegen op rechtspraak.nl), ten aanzien van de vraag of het bepaalde in artikel 14 WAHV ook heeft te gelden voor de officier van justitie, op grond van de wetsgeschiedenis en de parallelle ontwikkeling van de appelmogelijkheden van strafrechtelijke overtredingen beslist dat in de hierna vermelde zin onderscheid dient te worden gemaakt tussen de beroepsmogelijkheden van de betrokkene en die van de officier van justitie.

4. Voor de officier van justitie staat, anders dan voor een betrokkene, hoger beroep open in de gevallen waarin de initiële sanctie meer dan € 70,- bedroeg en het oordeel van de kantonrechter heeft geleid tot vernietiging van de inleidende beschikking, of daartoe had moeten leiden op een van de gronden van artikel 9 WAHV. Van hoger beroep door de officier van justitie zijn uitgezonderd die gevallen waarin de sanctie op nihil is gesteld op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b, WAHV.

5. Nu zich het onder 4. bedoelde uitzonderingsgeval niet voordoet is het beroep van de officier van justitie ontvankelijk.

6. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden vernietigd en dat het beroep van de betrokkene ongegrond dient te worden verklaard omdat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht geen aanleiding konden geven tot matiging van de sanctie.

7. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

"Uit hetgeen omtrent het vorenstaande zowel in het beroepschrift als ter terechtzitting is aangevoerd blijkt dat de gedraging weliswaar is verricht maar dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden moeten leiden tot vernietiging van de opgelegde sanctie. Gezien het vorenstaande is de Kantonrechter, anders dan de Officier van Justitie, van oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bedrag van de op te leggen sanctie op nihil dient te worden gesteld. Een en ander brengt mee dat zowel de beschikking van de Officier van Justitie als de initiële beschikking wordt vernietigd."

8. Het hof verstaat de beslissing van de kantonrechter aldus dat hij heeft vastgesteld dat de gedraging is verricht, doch dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht de officier van justitie ingevolge artikel 9, tweede lid onder b, van de WAHV aanleiding hadden moeten geven tot het achterwege laten van de sanctie. Dat brengt mee dat de kantonrechter op de voet van artikel 13 WAHV had dienen te beslissen tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, wijziging van de bestreden beslissing en wijziging van de initiële beschikking. Nu hij in plaats daarvan het beroep gegrond heeft verklaard, de beslissing van de officier van justitie alsmede de initiële beschikking heeft vernietigd kan die beslissing niet in stand blijven. Het hof zal daarom doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “op een kruising niet de richting volgen die het voorsorteervak aangeeft”, welke gedraging zou zijn verricht op 12 juni 2008 om 18:20 uur op de Viaductweg te Maastricht met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

10. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij reed op de Noorderbrug op de linker van drie rijstroken voor rechtdoorgaand verkeer. Op de Viaductweg gaat die rijstrook over in de rijstrook voor verkeer linksaf in de richting van de Meerssenerweg. De betrokkene wilde naar rechts invoegen teneinde op de naastgelegen rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer te komen, maar werd daarbij gehinderd door de verbalisant die hem geen gelegenheid gaf om in te voegen. Toen er enige ruimte ontstond is hij toch ingevoegd. De verbalisant kwam op agressieve wijze naast hem rijden en maakte hem duidelijk door het tonen van een politiepenning en door handgebaren dat hij het kenteken van het voertuig van de betrokkene had genoteerd. De betrokkene is van mening dat er geen sprake was van een verplichte rijrichting. De witte onderbroken streep wil zeggen dat men, indien nodig, toch van rijbaan mag wisselen. De verbalisant had hem gelegenheid moeten bieden om in te voegen. Het verkeer is door zijn manoeuvre geen moment in gevaar gebracht en het is volgens de regels geoorloofd. De betrokkene stelt dat de verbalisant niet objectief is in zijn beoordeling omdat hij emotioneel betrokken was bij het geval.

11. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

12. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“De bestuurder van het betrokken voertuig reed over de Viaductweg, in de richting van de kruising met de Meerssenerweg, over de linkerrijbaan. Op deze rijbaan is, door middel van pijlen op de weg, aangegeven dat de verplichte rijrichting links of rechts is. Op een gegeven moment wilde de betrokken bestuurder, zonder richting aan te geven en zonder op het overige verkeer op deze rijbaan te letten, naar de middelste rijbaan. Ik reed net op dat moment op deze rijbaan met mijn privé-voertuig. De bestuurder van het betrokken voertuig, duwde mij zowat van de rijbaan af. Ondanks flink claxonneren bleef de bestuurder gewoon doorzetten om van rijbaan te wisselen. Om een ongeval te voorkomen, heb ik gas terug genomen, zodat de bestuurder toch nog van rijbaan heeft kunnen wisselen. Vlak nadat hij voor mij reed, trapte deze bestuurder zodanig onverwacht op zijn rem, dit om mij duidelijk te maken dat hij het niet eens was, dat er wederom bijna weer een aanrijding plaatsvond. Ter hoogte van de Geusseltkruising heb ik mijn politie legitimatie middels de zijruit aan deze bestuurder getoond en hem middels een handgebaar proces-verbaal aangegeven.”

13. In een ambtsedig proces-verbaal d.d. 24 maart 2009 heeft de verbalisant nog het volgende verklaard:

"Op donderdag 12 juni 2008 omstreeks 18:20 uur reed ik in mijn privéauto over de Viaductweg (…). Ik was samen met mijn vrouw en zoontje onderweg naar een privé-afspraak en reed over de middelste rijbaan van de Viaductweg komende uit de richting van de Noorderbrug en rijdende in de richting van het kruispunt met de Meerssenerweg. Voorbij het kruispunt met de Willem Alexanderweg, alwaar de brandweerkazerne gelegen is, zijn er drie rijbanen waarbij middels voorsorteerpijlen op het wegdek de verplichte rijrichting is aangegeven. Op de linkerrijbaan is op het wegdek een pijl naar links aangebracht, op de middelste rijbaan een pijl voor rechtdoor en op de rechterrijbaan een gesplitste pijl voor rechtdoor en rechtsaf (…). De linkerrijbaan en de middelste rijbaan zijn van elkaar gescheiden door middel van bredere onderbroken strepen, bijna geblokte markering terwijl de middelste rijbaan gescheiden is van de rechterrijbaan door middel van onderbroken normale strepen. Ik reed op de middelste rijbaan (…) toen ik in mijn linkerbuitenspiegel zag ik dat betrokkene over de linkerrijbaan, met verplichte rijrichting linksaf, mij voorbij probeerde te rijden (…). Even voor de brug over de spoorlijn zag ik dat betrokkene, zonder overigens zijn knipperlicht naar rechts te gebruiken, van rijbaan wilde wisselen. Op dit moment was de verkeersstroom dusdanig groot dat het wisselen van rijbaan te gevaarlijk was. Ondanks deze grote verkeersstroom zag ik dat betrokkene koste wat kost naar de middelste rijbaan wilde rijden terwijl ik weinig mogelijkheden had om hiervoor ruimte te bieden. Omdat betrokkene volhardde in het wisselen van rijbaan en ook daadwerkelijk gevaarlijk naar rechts stuurde trapte ik, om een ongeval te vermijden, kortstondig op mijn rem waardoor betrokkene alsnog in de gelegenheid kwam om naar de middelste rijbaan te wisselen. (…)." De verbalisant heeft foto's van de situatie ter plaats bijgevoegd.

14. Artikel 78 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 houdt in:

"Bestuurders van een motorrijtuig en bromfietsers die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waar zij zich bevinden aangeeft."

15. De Nota van Toelichting bij die bepaling houdt - voor zover hier van belang - in:

"Met deze tekst wordt bereikt dat de bestuurder die van voorsorteerstrook wisselt daarop kan worden aangesproken zelfs al is ter plaatse geen doorgetrokken streep toegepast. (…).

Op kruispunten met voorsorteerstroken moeten bestuurders van de voorsorteerstrook die op hun richting betrekking heeft gebruik maken. Het ergerlijke rijstrook wisselen kan hiermee worden beperkt. Overigens verhindert de bepaling niet dat een bestuurder die constateert dat hij het onjuiste voorsorteervak berijdt de juiste strook opzoekt, voor zover hij daarmee de veiligheid niet in gevaar brengt."

16. Raadpleging van de openbaar toegankelijke bron Google maps levert op dat de rijstrook voor linksafslaand verkeer begint na de kruising van de Viaductweg met de Willem Alexanderweg en dat de voorgeschreven rijrichting door middel van pijlen op de weg is aangegeven. Het hof leidt uit de beroepschriften van de betrokkene af dat hij niet ontkent dat hij op de Viaductweg van rijstrook is gewisseld, terwijl hij op voormelde rijstrook voor linksaf slaand verkeer reed. De opvatting dat dit ter plaatse was toegestaan is, gelet op het overwogene onder 14. en 15., in strijd met de van toepassing zijnde regelgeving. Gelet op de verklaring van de verbalisant omtrent de omstandigheden op het tijdstip van de gedraging acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verkeersveiligheid op dat moment niet toestond dat de betrokkene van rijstrook wisselde. Dat brengt mee dat de betrokkene zijn weg over de linkerrijstrook in de richting van de Meerssenerweg had dienen te vervolgen.

De omstandigheid dat de verbalisant zelf als bestuurder was betrokken bij het voorval geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van diens verklaringen.

17. Het voorgaande brengt mee dat het hof vaststelt dat de gedraging is verricht en dat geen sprake is van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Het hof zal het beroep ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.