Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ2376

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
200.069.649
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht? De kantonrechter heeft ten onrechte de aangevoerde beroepsgronden niet in zijn beoordeling betrokken. Motiveringsgebrek beslissing officier van justitie.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.069.649

17 november 2010

CJIB 135497232

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 11 juni 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene kan zich niet vinden in de wijze waarop de kantonrechter het beroep heeft beoordeeld. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het beroep louter is ingesteld om een vergoeding van de beweerdelijk gemaakte proceskosten te krijgen. Voorts miskent de kantonrechter dat ook andere beroepsgronden dan de betwisting dat de gedraging is verricht, zoals een klacht over de motivering van de beslissing van de officier van justitie, bij de kantonrechter naar voren kunnen worden gebracht. Tenslotte heeft de kantonrechter de beroepsgrond, dat de naam van de verbalisant die de foto heeft uitgelezen niet in het zaakoverzicht staat vermeld, buiten beschouwing gelaten, aldus de gemachtigde.

2. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"Gelet op de inhoud van het proces-verbaal, de inhoud van het beroepschrift en de door de officier van justitie ter openbare terechtzitting gegeven toelichting, wordt als vaststaand aangenomen dat de gestelde gedraging met het motorvoertuig, waarvan het kenteken op naam van de betrokkene is gesteld, is verricht. Betrokkene heeft de gedraging niet gemotiveerd betwist. Uit de stukken blijkt dat de betrokkene het beroep tegen de beslissing van officier van justitie uitsluitend heeft ingesteld om een vergoeding van de beweerdelijk gemaakte proceskosten te verkrijgen. Betrokkene heeft echter tot de beroepsgang bij de kantonrechter geen recht op de geliquideerde kosten. Hieruit volgt dat sprake is détournement de pouvoir aan de zijde van betrokkene."

3. De overwegingen van de kantonrechter geven er blijk van dat hij de door de gemachtigde aangevoerde beroepgronden niet in zijn beoordeling heeft betrokken, omdat deze geen gemotiveerde ontkenning van de gedraging inhielden en het ingediende beroep naar het oordeel van de kantonrechter daarom als kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht moest worden beschouwd.

4. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht kan sprake zijn wanneer het voor de indiener van het beroep bij het instellen daarvan reeds evident moet zijn geweest dat het ging om een kansloos beroep. Het enkele feit dat in het beroepschrift de gedraging niet gemotiveerd wordt ontkend is daartoe echter niet voldoende. Ook andere gronden die de rechtmatigheid van de inleidende beschikking en de beslissing op het administratieve beroep regarderen, zoals de wijze van vaststelling van de gedraging en/of de verslaglegging daarvan en de totstandkoming en motivering van de beslissing van de officier van justitie, kunnen in het kader van een beroep ex artikel 9 WAHV aan de orde komen. In dit verband overweegt het hof dat de kantonrechter ook tot taak heeft -uit een oogpunt van rechtsbescherming- om te beoordelen of het bestuursorgaan de voor het geven van beslissingen toepasselijke regels in acht neemt. De kantonrechter heeft daarom ten onrechte de aangevoerde beroepsgronden niet in zijn beoordeling betrokken. Het hof zal de bestreden beslissing vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 174,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 27 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 oktober 2009 om 10.59 uur op de Gijsbrecht van Amstelstraat te Hilversum met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

6. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende is gemotiveerd.

7. In het administratieve beroepschrift heeft de gemachtigde betoogd dat er sprake is geweest van reflectie doordat zich aan de overzijde van de weg -precies daar waar de radarbundel loopt- een geparkeerde auto bevindt. De gemachtigde stelt dat dit in strijd is met de leerstof voor het opstellen van de radar. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de foto niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Deze grond kan niet anders worden verstaan dan dat de gemachtigde van mening is dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

8. De officier van justitie heeft het administratieve beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

"U doet een beroep op bijzondere omstandigheden ten tijde van de gedraging. De officier van justitie heeft een afweging gemaakt tussen de door u genoemde omstandigheden, de gedraging en de beoordeling van de verbalisant op wat er is gebeurd. De door u genoemde omstandigheden geven de officier van justitie onvoldoende aanleiding om de beschikking te vernietigen of het sanctiebedrag te verlagen."

9. Deze motivering betreft echter niet de door de gemachtigde opgeworpen vraag of kan worden vastgesteld of de gedraging is verricht, maar betreft de vraag of zich omstandigheden voordoen als genoemd in artikel 9, tweede lid, onder b, WAHV. De beslissing van de officier van justitie berust derhalve niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, de beslissing van de officier van justitie kan niet worden gehandhaafd. Het hof zal de bezwaren van de gemachtigde tegen de bij de inleidende beschikking opgelegde sanctie beoordelen.

10. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan het resultaat van de meting zoals dat blijkt uit de in het dossier aanwezige foto. Ingeval van reflectie van de radarstraal op de geparkeerde voertuigen zou ofwel in het geheel geen meting plaatsvinden, ofwel uit de foto moeten blijken dat de meting werd verricht voordat met het gemeten voertuig het logische fotopunt werd bereikt. Het voertuig van de betrokkene bevindt zich echter op de bij een frontmeting verwachte positie, namelijk links van het midden op de voorgrond, terwijl de radarsnelheidsmeter een snelheid van 80 km/h registreerde waar 50 km/h was toegestaan. Derhalve is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

11. Verder heeft de gemachtigde aangevoerd dat uit de door hem overgelegde pagina - met daarop de foto van de gedraging en enkele gedragingsgegevens - blijkt dat er twee verbalisanten bij de zaak zijn betrokken, terwijl alleen verbalisant [verbalisant A] (verbalisantnummer 9455) in het zaakoverzicht staat vermeld. Uit die pagina blijkt bovendien dat de verbalisant met nummer 10038 de foto heeft uitgelezen, zodat die verbalisant in het zaakoverzicht had moeten worden vermeld in plaats van verbalisant [verbalisant A]. Naar het hof begrijpt meent de gemachtigde dat de inleidende beschikking om die reden dient te worden vernietigd. De gemachtigde verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 10. en 7. uit de arresten van dit hof met respectievelijk het WAHV-nummer 200.007.238 en het WAHV-nummer 200.050.654 (waarin de gemachtigde eveneens optrad en verwees naar het eerstgenoemde arrest). Met het eerstgenoemde arrest wordt door de gemachtigde kennelijk bedoeld het arrest van dit hof d.d. 20 februari 2009, WAHV-nummer 200.007.328, LJN BH9973.

12. Het hof stelt voorop dat de gemachtigde verkeerde conclusies verbindt aan de lezing van voornoemd arrest van het hof van 20 februari 2009. Uit dat arrest volgt namelijk niet dat de enkele omstandigheid dat de uitlezer van de foto niet in het zaakoverzicht staat vermeld dient te leiden tot vernietiging van de beschikking. De vernietiging van de beschikking in die zaak werd voornamelijk ingegeven door de omstandigheid dat doelbewust en stelselmatig onjuiste informatie in het zaakoverzicht werd ingevoerd, waardoor het wezenlijk belang dat op de juistheid van de in het zaakoverzicht vermelde gegevens kan worden vertrouwd ernstig werd geschaad. Daarvan in het onderhavige geval geen sprake. De omstandigheid dat in het zaakoverzicht slechts de verbalisant zou zijn genoemd die de meting heeft verricht en - in strijd met de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers - niet de verbalisant die de foto zou hebben uitgelezen en verwerkt, betreft - wat daar verder ook van zij - slechts een onvolledigheid die niets afdoet aan de juistheid van de wel in het zaakoverzicht vermelde gegevens. Voor vernietiging van de beschikking is in een dergelijk geval geen aanleiding.

13. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van "détournement de pouvoir" nu budgettaire redenen ten grondslag liggen aan de verkeershandhaving en niet de verkeersveiligheid, waarvoor de gehandhaafde regels bedoeld zijn. Een en ander zou blijken uit de uitlatingen van de Minister van Binnenlandse Zaken in het wetgevingsoverleg met de vaste kamercommissie. Een ongecorrigeerd stenogram van dit overleg is bij de stukken gevoegd.

14. Aan de in de regelgeving opgenomen snelheidslimieten ligt ten grondslag het belang van de verkeersveiligheid. In dit verband overweegt het hof dat de controle op de snelheid niet alleen van belang kan zijn voor de verkeersveiligheid ter plaatse, maar ook in bredere zin de verkeersveiligheid kan dienen. De wetenschap van weggebruikers dat op verschillende tijden en plaatsen snelheidscontroles kunnen worden gehouden, kan immers gedrag dat in overeenstemming is met de snelheidsregelgeving bevorderen. Het enkele feit dat de verwachte opbrengst van het totale aantal op te leggen sancties in de Justitiebegroting is meegenomen, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen enkele sanctie in de betreffende begrotingsperiode met het oog op de verkeersveiligheid is opgelegd. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige controle en daaruit voortvloeiende sanctieoplegging een ander doel diende dan de handhaving van de verkeersveiligheid, zodat ook deze beroepsgrond van de gemachtigde geen doel treft.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaren.

16. Gelet op deze beslissingen zal het hof de door de betrokkene gemaakte kosten voor het beroep bij de kantonrechter en het hoger beroep doen vergoeden. Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde heeft de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift (2 punten). Het gewicht van de zaak is licht (0,5). Het hof zal daarom een vergoeding toekennen van € 437,- (2 x 0,5 x € 437,-).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie van 7 december 2009;

verklaart het administratieve beroep ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 437,-, te betalen aan de gemachtigde door overboeking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Meerts te Beegden.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.